Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8818

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
26-09-2006
Zaaknummer
04-4021 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Zijn geselecteerde functies passend?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/4021 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2004, 02/4953 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2006.

Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was laatstelijk 38 uur per week werkzaam als transportmedewerker bij de Bloemenveiling Aalsmeer. Hij heeft zich per 10 mei 1999 arbeidsongeschikt gemeld wegens psychische klachten en is na een bezwaarprocedure bij besluit van

18 januari 2002 met ingang van 8 mei 2000 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 18 januari 2002 heeft het Uwv de arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van 1 februari 2002 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

Bij besluit van 9 oktober 2002 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het primaire besluit van 18 januari 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de onderzoeksbevindingen van de betrokken verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft in grote lijnen de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad nog het volgende.

Aan appellant kan worden toegegeven dat de door bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst op 20 juni 2001 getrokken conclusie, dat appellant niet duurzaam belastbaar was, hetgeen ertoe heeft geleid dat aan appellant per 8 mei 2000 een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend, afwijkt van de eerst twee maanden nadien, te weten op 22 augustus 2001, door de verzekeringsarts A.E. Admiraal Hansman in haar rapport van deze datum getrokken conclusie, dat appellant wel gedeeltelijk belastbaar is. Dit laatste rapport heeft ten grondslag gelegen aan het primaire besluit van 18 januari 2002. In navolging van de rechtbank wijst de Raad erop dat hier twee verschillende data ter toetsing stonden, terwijl voorts eerstgenoemde verzekeringsarts in hoofdzaak lijkt te zijn afgegaan op het standpunt van de bedrijfsarts, die appellants ziekmelding per 10 mei 1999 heeft geaccepteerd en appellant eerst per 4 september 2000 weer volledig arbeidsgeschikt achtte. Naar het oordeel van de Raad heeft verzekeringsarts Admiraal Hansman, appellants verhaal consistent en plausibel achtend, maar lettend op diens dagindeling, op verantwoorde wijze geconcludeerd dat niet kan worden gesteld dat appellant niet belastbaar is. Gelet op appellants verminderde energie is toen verder aangenomen dat hij slechts voor 20 uur per week belastbaar was. Bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek heeft appellant eveneens gezien en informatie ingewonnen bij de behandelend sector. Uit gegevens van de behandelend psychiater bleek dat sprake was geweest van ernstige depressieve klachten doch dat deze waren verbeterd en dat sprake was van een gedeeltelijk herstel. Mede gelet op de in de brief van de GGZ buitenamstel van 29 oktober 2001 vermelde GAF-score 61/70 - hetgeen duidt op in het algemeen vrij redelijk functioneren - acht de Raad de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat de productiematige functies - die geen voortdurende werkdruk kennen, en geen noodzaak tot veelvuldig moeten en kunnen hanteren van conflicten - de belastbaarheid van appellant niet te boven gaan, verantwoord.

De Raad onderschrijft verder het oordeel van de rechtbank dat de bezwaararbeidsdeskundige in een rapport van 30 september 2002 afdoende heeft gemotiveerd dat drie van de aanvankelijk geselecteerde zes functies voor appellant geschikt moeten worden geacht.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.