Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8813

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
26-09-2006
Zaaknummer
04-4749 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Na chirurgische ingreep weer geschikt voor eigen werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/4749 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2004, 03/2442 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.A. Harff, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G. Prijor.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is in de periode van 31 oktober 1994 tot 11 december 1998 als keukenmedewerker in een restaurant werkzaam geweest. Sedertdien ontving hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Vanuit die situatie heeft appellant zich op 7 november 2000 ziek gemeld met klachten aan zijn linkerknie.

Het Uwv heeft appellant met ingang van 6 november 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsonge- schiktheidsverzekering (WAO) geweigerd omdat hij per die datum geschikt geacht werd gangbare arbeid te verrichten. Als gangbare arbeid zijn hem de functies van samensteller, naaister en verspener voorgehouden.

Appellant heeft zich met ingang van 31 maart 2003 in verband met buikklachten (wederom) vanuit de WW ziek gemeld. Terzake van het onderhavige ziektegeval heeft appellant op 20 mei 2003 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts, die hem na onderzoek met ingang van 26 mei 2003 hersteld verklaarde.

Bij besluit van 22 mei 2003 is aan appellant met ingang van voormelde datum van hersteldverklaring, 26 mei 2003, geen ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) meer toegekend.

In de bezwaarfase is appellant op 1 juli 2003 gezien door een bezwaarverzekeringsarts die appellant, gelet op de onderzoeksbevindingen, eveneens per 26 mei 2003 niet ongeschikt achtte voor het verrichten van zijn arbeid.

Het bezwaar tegen het besluit van 22 mei 2003 verklaarde het Uwv bij besluit van 7 juli 2003 ongegrond.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij op en na 26 mei 2003 nog niet in staat was zijn arbeid te verrichten. Ter onderbouwing heeft appellant aangegeven dat hij op 17 april 2003 een chirurgische ingreep heeft ondergaan waarna op 28 april 2003 een na-controle heeft plaatsgevonden. De klachten die aanleiding hebben gegeven tot de chirurgische ingreep duurden ook op en na 26 mei 2003 voort.

Voorts stelt appellant dat de ziekmelding per 31 maart 2003 tevens verband hield met zijn linkerknieklachten. De laatstbedoelde klachten heeft de verzekeringsarts ten onrechte niet meegewogen bij de hersteldverklaring per 26 mei 2003.

De Raad overweegt als volgt.

Zoals uit de aangevallen uitspraak blijkt heeft de rechtbank geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling van de verzekeringsartsen. De Raad stelt verder vast dat van de zijde van appellant geen informatie van medische aard is aangevoerd, die op de hersteldverklaring per datum in geding een ander licht werpt.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

Hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd vormt goeddeels een herhaling van de door appellant in eerste aanleg opgeworpen, en door de rechtbank bij gebreke van enig medisch onderbouwing terecht verworpen, grieven.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) P. van de Wal.