Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8811

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2006
Datum publicatie
26-09-2006
Zaaknummer
05-5591 WWB + 06 - 1847 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering utikering. Boete. Inkomsten uit handel in drugs. Nader besluit: het beroep tegen het besluit voor zover dat op de boete ziet had niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Geen (proces)belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2006, 342

Uitspraak

05/5591 WWB

06/1847 WWB

Centrale Raad van Beroep

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 juli 2005, 04/2618 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.T. Wernsen, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2006. Voor appellant is mr. Wernsen verschenen. Het College heeft zich met schriftelijke kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Aan appellant was ten tijde van belang, laatstelijk met ingang van 14 januari 2002 op grond van de Algemene bijstandswet (Abw), bijstand naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20% toegekend.

Bij besluit van 13 oktober 2003 heeft het College het recht op bijstand van appellant over de periode van 24 oktober 2002 tot en met 23 december 2002 herzien en over de periode van 24 december 2002 tot en met 31 mei 2003 ingetrokken op de grond dat hij, zonder daarvan aan het College mededeling te hebben gedaan, tot 16 april 2003 inkomsten heeft gehad uit de handel in drugs. Voorts heeft het College bij dat besluit het recht op bijstand van appellant over de periode van 16 april 2003 tot en met 31 mei 2003 ingetrokken op de grond dat appellant in die periode in detentie werd gehouden. Het College heeft de over die tijdvakken gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.671,36 van appellant teruggevorderd. Voorts is aan appellant bij besluit van 30 oktober 2003 wegens schending van de inlichtingenplicht een boete opgelegd van € 671,--.

Bij besluit van 5 april 2004 heeft het College het tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Het College heeft het bezwaar tegen het besluit van 30 oktober 2003 bij nader besluit van 21 juni 2005 gegrond verklaard in die zin dat het bedrag van de opgelegde boete is verlaagd tot € 239,98.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de besluiten van 5 april 2004 en 21 juni 2005 ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat het College zowel met betrekking tot de handel in drugs als met betrekking tot de daaruit verkregen inkomsten op goede gronden heeft geconcludeerd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het College heeft naar haar oordeel terecht aangenomen dat appellant over een langere periode dan de door hem op

17 april 2003 erkende drie maanden in drugs heeft gehandeld. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de getuigenverklaringen van 24 april 2003 in de processen-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden. De aan appellant opgelegde, bij besluit van

21 juni 2005 op een bedrag van € 239,98 vastgestelde, boete heeft zij in overeenstemming geacht met de toepasselijke wet- en regelgeving.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Aangevoerd is dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat appellant langer dan drie maanden in drugs heeft gehandeld. Aan de getuigenverklaringen is naar zijn mening te veel waarde gehecht omdat daaruit niet blijkt welke persoon de getuigen op de door de politie getoonde foto’s menen te herkennen, alsook omdat de getuigen een andere naam noemen en zeggen het adres van de dealer niet te weten. Op de door de getuigen genoemde langere periode van drugshandel mag niet worden afgegaan omdat de getuigen tevens aangeven grote hoeveelheden verdovende middelen te hebben gebruikt waardoor hun geheugen en tijdsbesef niet optimaal gefunctioneerd kan hebben. Bovendien is, gezien de gestelde grote hoeveelheden drugs die zijn afgenomen, niet aannemelijk dat de getuigen al hun verdovende middelen van één en dezelfde dealer konden betrekken. Op de inhoud van de verklaring van appellant zelf kan wel worden afgegaan omdat hij deze vrijwillig, zonder dat voldoende bewijsmateriaal tegen hem aanwezig was, heeft afgelegd. Appellant persisteert bij zijn standpunt dat de inkomsten onvoldoende waren om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Appellant kan zich moeilijk verweren tegen de naar zijn mening onbetrouwbare getuigenverklaringen, zodat het niet juist is om uit te gaan van een omkering van de bewijslast.

Het College heeft gepersisteerd bij zijn standpunt. Het heeft erop gewezen dat de aanname dat appellant langer dan de door hem erkende drie maanden in drugs heeft gehandeld niet alleen op de getuigenverklaringen berust, maar ook op de verklaring van de brigadier van politie [getuige].

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Herziening en intrekking

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat voldoende is komen vast te staan dat appellant in de periode van 24 oktober 2002 tot en met 15 april 2003 in drugs heeft gehandeld. Daarvan heeft hij geen mededeling gedaan aan het College. Gelet hierop heeft hij de in artikel 65, eerste lid, van de Abw bedoelde inlichtingenverplichting geschonden.

De grief van appellant dat niet is komen vast te staan dat de getuigen appellant als dealer hebben aangewezen, treft geen doel. De Raad acht voldoende aannemelijk gemaakt dat de getuigen over appellant hebben verklaard. De Raad wijst er op dat de verbalisanten onder ambtseed hebben verklaard dat zij een foto van appellant aan de getuigen hebben getoond en dat de getuigen hebben verklaard dat zij met appellant contact hebben opgenomen via het telefoonnummer van appellant. In aanmerking genomen de eigen verklaring van appellant, de getuigenverklaringen en de verklaring van de brigadier [getuige] is de Raad van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat appellant in de periode van 24 oktober 2002 tot en met 15 april 2003 in de door het College aangenomen omvang gehandeld heeft in drugs en dat hij daarmee de door het College aangenomen inkomsten heeft verworven. Alhoewel het naar vaste jurisprudentie van de Raad op de weg van appellant ligt om het tegendeel aan te tonen, heeft appellant zijn stelling van het tegendeel op geen enkele manier aannemelijk gemaakt. Hieruit volgt dat het College zich terecht en op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand van appellant over de periode van 24 oktober 2002 tot en met 23 december 2002 diende te worden herzien en over de periode van 24 december 2002 tot en met 15 april 2003 diende te worden ingetrokken.

De Raad is verder van oordeel dat de bijstand van appellant over de periode van 16 april 2003 tot en met 31 mei 2003 terecht is ingetrokken omdat hem bijstand is verleend terwijl hij daar op grond van artikel 9, eerste lid, van de Abw in verband met zijn detentie geen recht op had.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw zodat het College niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover deze betrekking heeft op de herziening en intrekking.

Terugvordering

Met het voorgaande is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat het College gehouden was tot terugvordering van de over het tijdvak van 24 oktober 2002 tot en met 31 mei 2003 ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over te gaan. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw zodat het College niet bevoegd was om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover deze ziet op de terugvordering.

Boete

De Raad stelt vast dat het College het besluit van 21 juni 2005 in de plaats heeft gesteld van het besluit van 5 april 2004 voor zover dat betrekking heeft op de boete en dat het besluit van 21 juni 2005 niet volledig aan het beroep tegemoet komt. Dit betekent dat de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 april 2004, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht terecht mede heeft gericht geacht tegen het besluit van 21 juni 2005 en dat zij dit besluit terecht in haar beoordeling heeft betrokken. De rechtbank heeft evenwel niet onderkend dat tengevolge van het besluit van 21 juni 2005 het (proces)belang van appellant bij de beoordeling van het beroep tegen het besluit van 5 april 2004 voor zover dat op de boete ziet, is komen te ontbreken, tengevolge waarvan het beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden. De rechtbank heeft het beroep ten onrechte ongegrond verklaard zonder onderscheid te maken tussen de beide besluiten. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak in zoverre niet in stand kan blijven en dat deze in zoverre dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 5 april 2004 niet-ontvankelijk verklaren voor zover dit besluit betrekking heeft op de boete.

Met betrekking tot het besluit van 21 juni 2005 onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank.

Dit betekent dat het beroep ongegrond moet worden verklaard voor zover het betrekking heeft op het besluit van 21 juni 2005.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de boete;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 april 2004 niet-ontvankelijk voor zover dit ziet op de boete;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 21 juni 2005 ongegrond;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.288--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage;

Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 140,-- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 september 2006.

(get.) R.M. van Male.

(get.) S.W.H. Peeters.

HE/596