Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8809

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2006
Datum publicatie
26-09-2006
Zaaknummer
05-5658 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsitkering. Ontvangst WAO-uitkering. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/5658 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 juli 2005, 05/496 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 5 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft J. van Dongen-Spaans, werkzaam bij Servicebureau Spado te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 25 juli 2006, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant ontving ten tijde hier van belang een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.

Bij besluit van 22 augustus 2003 heeft het College de bijstandsuitkering van appellant over de periode van 14 juli 1999 tot en met 28 februari 2003 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 38.544,32 van appellant teruggevorderd. Dit besluit berust op de overweging dat appellant in genoemde periode, zonder daarvan aan het College melding te maken, een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft ontvangen die hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm.

Bij besluit van 12 januari 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 22 augustus 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 januari 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat er, gelet op de gedingstukken, van uit dat appellant van 14 juli 1999 tot en met 28 februari 2003 een WAO-uitkering heeft ontvangen die de voor hem geldende bijstandsnorm overtrof.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant, in strijd met de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting, heeft verzwegen dat hij een WAO-uitkering ontving en verwijst kortheidshalve naar de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geeft de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel te komen.

Het College was dan ook op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw gehouden de bijstandsuitkering van appellant over de periode van 14 juli 1999 tot en met 28 februari 2003 in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, zodat het College niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.

Daarmee is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat het College gehouden was de kosten van bijstand over genoemde periode van appellant terug te vorderen.

In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat het College niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De Raad merkt in dit verband op dat dringende redenen naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 19 december 2002, gepubliceerd in RSV 2003/42 en USZ 2003/67) slechts kunnen zijn gelegen in de onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. De omstandigheden dat appellant, zoals hij stelt, in het kader van zijn (op 7 september 2001 opgeheven) faillissement problemen heeft gehad met zijn curator en zijn bijstandsuitkering heeft besteed aan de aanschaf van medicijnen, het volgen van therapieën alsmede aan het inrichten van zijn woning en het aanschaffen van lijfgoederen na zijn echtscheiding, kunnen niet als zodanige consequenties worden aangemerkt.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 september 2006.

(get.) R.M. van Male.

(get.) S.W.H. Peeters.

TG06092006