Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8807

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-09-2006
Datum publicatie
26-09-2006
Zaaknummer
06-1280 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzet. Termijnoverschijding indienen hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1280 WAO

Centrale Raad van Beroep

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 12 januari 2006, 05/671 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 11 april 2006 heeft de Raad het door G.J. van Zalingen, gemachtigde van appellante, ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen de uitspraak van de Raad van 11 april 2006 heeft de gemachtigde van appellante verzet gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2006, waar namens appellante haar gemachtigde, voornoemd, is verschenen en waar het Uwv zich – met voorafgaand bericht – niet heeft laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 11 april 2006 berust hierop, dat het hoger beroepschrift van 24 februari 2006 niet binnen de daartoe gestelde termijn van zes weken, vermeld in de uitspraak van de rechtbank, is ingediend.

In het verzetschrift heeft de gemachtigde van appellante aangegeven dat appellante, die om psychische redenen niet in staat is om voor haarzelf op te komen, door een rekenfoutje van haar man wordt afgerekend op het één dag te laat inzenden van haar hoger beroep. Voorts geeft de gemachtigde van appellante aan dat de rechtbank de zaak niet zorgvuldig heeft afgehandeld en dat de uitspraak pas op de laatste dag van de termijn van zes weken is bekendgemaakt. Vervolgens heeft de gemachtigde van appellante in het verzetschrift en ter zitting aangevoerd dat met het instellen van hoger beroep tot het uiterste moment is gewacht wegens het verkrijgen van een verklaring, die heel erg zwaar weegt in de verdediging van appellante. Ten slotte heeft de gemachtigde van appellante ter zitting nog verklaard dat voor het uitrekenen van de hoger beroepstermijn is gerekend met een maand en dat dit niet gelijk staat aan vier weken, waardoor de einddatum van de hoger beroepstermijn is opgeschoven.

De Raad is van oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring terecht is geschied en verwijst daartoe in de eerste plaats naar de uitspraak van de rechtbank waarin appellante duidelijk is gewezen op de hoger beroepstermijn van zes weken. De uitspraak van de rechtbank is op 12 januari 2006 aan partijen toegezonden waarmee de hoger beroepstermijn van zes weken is aangevangen op 13 januari 2006 en derhalve geëindigd op 23 februari 2006. Het hoger beroepschrift is op 27 februari 2006 door de Raad ontvangen. Het is blijkens de poststempel op de enveloppe op 24 februari 2006 ter post bezorgd.

In hetgeen namens appellante is aangevoerd, is naar het oordeel van de Raad geen grond gelegen voor de gevolgtrekking dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante in verzuim is geweest. Ter sauvering van de hoger beroepstermijn had appellante een voorlopig hoger beroepschrift in kunnen (laten) dienen, waarna voor appellante nog voldoende tijd had geresteerd om de (nadere) gronden waarop het hoger beroep berust, in te dienen.

Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 september 2006.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) P.H. Broier.

MH