Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8806

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
26-09-2006
Zaaknummer
04-3102 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Geschikt voor gangbare arbeid. Onvoldoende reïntegratieactiviteiten verhinderen niet dat een theoretische schatting wordt uitgevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/3102 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 maart 2004, 02/2161 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.P. Wasscher, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2006. Voor appellant is mr. Wasscher verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

Het Uwv heeft bij besluit van 6 juni 2001 geweigerd appellant met ingang 24 september 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder de overweging dat appellant na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd van 52 weken niet meer geschikt is voor zijn eigen werk, maar nog wel voor andere gangbare arbeid waarmee hij 85,7% van zijn maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 28 maart 2002 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat hij zich neerlegt bij het oordeel van de rechtbank dat hij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht per 24 september 2000. Appellant is verder niet overtuigd van de juistheid van de aangevallen uitspraak, voorzover de rechtbank als oordeel heeft gegeven dat het dossier geen aanknopingspunten geeft voor de stelling dat het arbeidskundig oordeel dat appellant ongeschikt is voor zijn eigen werk onjuist is. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant zijn standpunt in die zin bijgesteld dat appellant bij het einde van de wachttijd nog ongeschikt was voor zijn eigen werk, maar dat hij met een juiste reïntegratie bij het einde van de wachttijd dan wel korte tijd daarna wel geschikt had kunnen zijn voor zijn eigen werk. Appellant erkent dat door een verstoorde relatie met zijn werkgever de reïntegratie aanvankelijk niet goed op gang is gekomen. Na verbetering van die relatie heeft het Uwv onvoldoende sturend opgetreden om te zorgen dat appellant kon reïntegreren in zijn eigen werk. In zijn visie mag onder deze omstandigheden het Uwv niet overgaan tot het uitvoeren van een theoretische schatting, maar vereist de zorgvuldigheid dat hem bij het einde van de wachttijd een WAO-uitkering wordt toegekend.

De Raad kan het standpunt van appellant niet onderschrijven en overweegt, onder verwijzing naar eerdere uitspraken van de Raad, bijvoorbeeld gepubliceerd onder LJN ZB8725 en AF8103, dat het ontbreken van voldoende reïntegratie-inspanningen bij de werkgever het Uwv niet hoeft te verhinderen een theoretische schatting uit te voeren. Evenmin kunnen eventuele gebreken in de beoordeling van de reïntegratieactiviteiten door het Uwv er toe leiden dat een theoretische schatting niet behoeft te worden uitgevoerd.

Nu tegen de vaststelling door de rechtbank dat de theoretische schatting op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berust, geen grieven zijn aangevoerd, concludeert de Raad dat het hoger beroep niet slaagt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) P. van der Wal.