Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8763

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-09-2006
Datum publicatie
26-09-2006
Zaaknummer
05-1016 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Faillissement werkgever. Overname loonbetaling: Van betrokkene had redelijkerwijs mogen worden verwacht dat hij op een eerder tijdstip rechtsmiddelen had aangewend ten aanzien van de werkgever. Hoogte dagloon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1016 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 januari 2005, kenmerk 04/2472 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 september 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.A.M. Korssen - van der Ruijt, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 20 juli 2006 is een groot aantal nadere stukken namens appellant ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2006. Namens appellant is daar verschenen mr. Korssen - van der Ruijt, voornoemd. Namens het Uwv is verschenen mr. A. Ruis, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Appellant is als adviseur werkzaam geweest bij een assurantiekantoor op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, welke overeenkomst is ingegaan op 1 mei 2001. Daarvoor en wel vanaf 1 mei 2000 werkte appellant bij dit kantoor op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Appellants werkgever is op 11 juni 2003 in staat van faillissement verklaard.

Artikel 6 van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd luidt als volgt:

“Het vast overeengekomen basissalaris is f 2.500,-- bruto per volledige kalendermaand op basis van een 38-urige werkweek. De voorschotprovisie bedraagt f 5.000,- bruto per maand. Het salaris bij uitbetaling van de provisie per kwartaal is maximaal f 10.000,-- (inclusief het basissalaris van bruto f 2.500,-- per maand).”.

Op 26 juni 2003 heeft appellant een zogeheten aanvraag overname loonbetaling ingediend. Bij besluit van 5 november 2003 heeft het Uwv aan appellant over de periode 13 juni 2003 tot en met 24 juli 2003 een vergoeding op grond van de overnameregeling krachtens hoofdstuk IV van de Werkloosheidwet (WW) toegekend, waarbij het dagloon is vastgesteld op € 46,98. Daarbij is uitgegaan van een maandloon van € 1.249,20. Appellant meent dat in ieder geval moet worden uitgegaan van een basissalaris van € 2.268,90 (f 5.000,--), welk bedrag mondeling zou zijn overeengekomen met zijn voormalig werkgever. Vanaf juni 2002 kwam de werkgever zijn afspraken niet meer na en appellant heeft zijn werkgever hierop meerdere malen aangesproken. Op 27 mei 2003 heeft appellant zijn rechtsbijstandverzekeraar ingeschakeld, maar het starten van een gerechtelijke procedure bleek niet meer mogelijk nu de werkgever van appellant op 12 juni 2003 zeer onverwacht failliet werd verklaard.

Bij besluit van 29 april 2004 (verder te noemen: het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat redelijkerwijs van appellant had mogen worden verwacht dat hij op een eerder tijdstip rechtsmiddelen had aangewend om zijn werkgever te brengen tot nakoming van zijn betalingsverplichting. Het niet geldend kunnen maken van de vordering op de voormalig werkgever vloeit niet rechtstreeks en uitsluitend voort uit de insolvabiliteit van de werkgever, maar is in hoofdzaak veroorzaakt door het niet voortvarend optreden van appellant. De negatieve gevolgen daarvan kunnen niet worden afgewenteld op het Uwv en om die reden is het geclaimde hogere salaris terecht buiten beschouwing gelaten.

De rechtbank heeft zich achter de overwegingen van het Uwv gesteld.

Appellant heeft zijn standpunt in hoger beroep gehandhaafd.

De Raad overweegt als volgt.

In de uitspraak van 9 maart 2006 (LJN AV5871), waarbij de hoogte van het dagloon van de aan appellant toegekende WW-uitkering in geding was, heeft de Raad overwogen dat het Uwv bij de vaststelling van het dagloon terecht (mede) is afgegaan op de schriftelijke arbeidsovereenkomst. Tevens overwoog de Raad dat er geen (verifieerbare) salarisbetalingen zijn die steun bieden aan appellants stelling dat in afwijking van de schriftelijke arbeidsovereenkomst een vast salaris van f 5.000,-- bruto per maand zou zijn overeengekomen. Ook voor de uitkering ingevolge hoofdstuk IV van de WW heeft dit oordeel te gelden.

Geheel los van het voorgaande merkt de Raad op dat hetgeen het Uwv heeft overwogen in het bestreden besluit, en door de rechtbank is onderschreven, in overeenstemming is met vaste jurisprudentie van de Raad, onder meer blijkend uit de in RSV 1992/221 gepubliceerde uitspraak van 18 februari 1992. In de situatie waarin appellant ongeveer een jaar genoegen heeft genomen met een naar zijn zeggen te laag salaris, gaat het niet aan van het Uwv te verlangen dat de uitkering als bedoeld in hoofdstuk IV van de WW naar een hoger salaris wordt berekend.

De door appellant bij brief van 20 juli 2006 ingezonden nadere stukken, kunnen aan het voorgaande niet afdoen. De Raad laat daarbij in het midden welke waarde aan die stukken moet worden toegekend, nu onverkort blijft gelden dat van appellant op een eerder moment actie jegens zijn voormalig werkgever had mogen worden verwacht.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. Voor een proceskosten-veroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 september 2006.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) C.M.T. Kruls.

EK1209