Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8758

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-09-2006
Datum publicatie
26-09-2006
Zaaknummer
06-586 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Is arbeidskundige beoordeling juist? Passendheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/586 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 december 2005, 05/748 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Drs. W. Hoebba, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2006. Appellante is - zoals schriftelijk was bericht - niet verschenen en het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A. Smithuyzen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 31 juli 2002 heeft het Uwv bepaald dat appellantes mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd dient te worden vastgesteld op 15 tot 25%.

Bij besluit van 3 juli 2003 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 31 juli 2002 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 december 2004, 03/3546, heeft de rechtbank Amsterdam het beroep tegen het besluit van 3 juli 2003 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd omdat er sprake was van een motiveringsgebrek nu de omzetting van het Functie Informatie Systeem (FIS) naar de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) niet was toegelicht en ook niet was voldaan aan de eis dat uiterlijk bij besluit op bezwaar de schatting dient te zijn voorzien van een deugdelijke toelichting en motivering.

Bij besluit van 23 februari 2005 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

De rechtbank in de aangevallen uitspraak is de volgende overweging opgenomen (lees voor “verweerder” “het Uwv”) :

"De rechtbank stelt voorop dat in de uitspraak van 16 december 2004 is geoordeeld dat in de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting geen aanknopingspunten zijn gevonden voor het oordeel dat verweerder van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. Nu tegen deze uitspraak geen hoger beroep is ingesteld staat rechtens vast dat verweerder de voor eiseres in de onderhavige beoordelingsperiode - die eindigt op 31 juli 2002 (datum primaire beslissing) – geldende medische beperkingen juist heeft vastgesteld. Dit betekent dat voor zover eiseres heeft

aangevoerd dat er voor haar meer en andere beperkingen gelden dan waarvan verweerder is uitgegaan, de rechtbank dit in de onderhavige procedure buiten beschouwing moet laten."

De Raad onderschrijft bovenstaande overweging en is evenals de rechtbank van oordeel dat – nu appellante geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van 16 december 2004 – de omvang van het geding beperkt is tot het arbeidskundige deel van de beoordeling. Het medische deel van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling zal de Raad dan ook onbesproken laten.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak als haar oordeel neergelegd dat gelet op de FML (Functionele Mogelijkheden Lijst), de normaalwaarden, de belasting in de geduide functies en de door de arbeidsdeskundige gegeven toelichting van 16 februari 2005 het Uwv toereikend heeft gemotiveerd dat en waarom de geduide functies passend zijn voor appellante. Het Uwv heeft volgens de rechtbank met het besluit van 23 februari 2005 op de juiste wijze uitvoering gegeven aan de uitspraak van 16 december 2004 en het beroep is ongegrond verklaard.

Bij brief van 24 juli 2006 zijn namens appellante nog enkele kanttekeningen geplaatst bij de passendheid van de voorgehouden functies.

De Raad ziet geen aanleiding om het standpunt van appellante dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet passend zijn te volgen.

Gelet op de door de door de bezwaararbeidsdeskundige E.F. Couvreur gegeven toelichting in de rapportage van 16 februari 2005 is de Raad van oordeel dat de in de functies voorkomende belasting de mogelijkheden van appellante niet te boven gaat.

Een vergelijking van het maatmaninkomen met de op basis van de functies mogelijk te verwerven inkomsten voert tot de conclusie dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante bij het bestreden besluit niet is onderschat.

Gezien het vorenstaande kan het hoger beroep niet slagen en dient de aangevallen uitspraak bevestigd te worden.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 september 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

Gw