Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8751

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
26-09-2006
Zaaknummer
04/3899 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Geschikt voor eigen/administratief werk. In beginsel wordt rapport opgesteld door onafhankelijke door eerste rechter ingeschakelde deskundige gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/3899 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 10 juni 2004, 03/643

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Buitenhuis, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Buitenhuis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, voorheen werkzaam als schilder/classificeerder, is in 1989 arbeidsongeschikt geworden wegens rugklachten. De aan hem toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is per 1 april 1995 ingetrokken omdat appellant in staat werd geacht passende functies te verrichten. Na een gedeeltelijke werkhervatting in 1996 is appellant in april 1998 opnieuw uitgevallen met rugklachten, waarna hem weer een WAO-uitkering is verstrekt. Deze uitkering is per 19 april 1999 ingetrokken.

Appellant heeft per 1 februari 2001 voor hele dagen hervat in een, in hoofdzaak, administratieve functie voor 38 uur per week. Vanuit die situatie heeft appellant zich op 13 maart 2002 ziek gemeld met een toename van de pijnklachten in de rug. Na medisch onderzoek op 3 juli 2002 en 20 augustus 2002 heeft de verzekeringsarts informatie ingewonnen bij de behandelend anesthesioloog en bij de neuroloog die door appellant eenmalig was geconsulteerd. Blijkens zijn rapport van 26 september 2002 heeft de verzekeringsarts op basis van de diagnose discopathie van L2 tot S1 en lichte antepositie van S1 ten opzichte van L5 en daaruit voortvloeiende ernstige pijnklachten voor appellant beperkingen voor rugbelastende werkzaamheden aangenomen en deze vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Aan de hand van deze FML heeft een arbeidsdeskundige het voor zijn laatste uitval door appellant verrichte werk beoordeeld en hem daarvoor geschikt geacht. In overeenstemming daarmee heeft het Uwv bij besluit van 20 november 2002 appellant per 1 december 2002 verdere uitkering van ziekengeld geweigerd. Tegen dit besluit heeft appellant op 27 november 2002 bezwaar gemaakt.

Na onderzoek door bezwaarverzekeringsarts P.H. Storms op 12 december 2002, die het oordeel van de primaire verzekeringsarts bevestigde, is het bezwaar van appellant bij besluit van 20 december 2002 ongegrond verklaard.

Inmiddels had appellant zich per 2 december 2002 weer ziek gemeld met rugklachten, waarbij hij stelde vanaf 13 maart 2002 doorlopend arbeidsongeschikt te zijn gebleven.

Bij besluit van 17 februari 2003 heeft het Uwv appellant per 2 december 2002 ziekengeld geweigerd. Na onderzoek door bezwaarverzekeringsarts T. Miedema op 15 april 2003 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 februari 2003 bij besluit van

29 april 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft appellant laten onderzoeken door neuroloog J.C. den Heijer, die het het oordeel van bezwaarverzekeringsarts Miedema bevestigde. Vervolgens heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep bestrijdt appellant met name het rapport van neuroloog Den Heijer.

Hij acht dit rapport innerlijk tegenstrijdig. Bovendien meent hij dat hij niet door een neuroloog had moeten worden onderzocht omdat eerder bij neurologisch onderzoek geen neurologische afwijkingen waren gevonden. Appellant acht onderzoek door een anesthesioloog aangewezen, nu het bij hem gaat om pijnklachten en de ernst daarvan alleen door een discografie van de wervelkolom is te bepalen.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde. Gelet hierop dient voor de beoordeling van het recht op ziekengeld te worden vastgesteld dat de door de betrokkene ervaren klachten objectief medisch gezien een gevolg zijn van ziekte.

Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat gelet op de door appellant geclaimde toename van de rugklachten onderzoek door een neuroloog niet zinledig was.

Naar het oordeel van de Raad heeft het benoemen van een anesthesioloog in de onderhavige situatie geen meerwaarde, nu een anesthesioloog zich niet richt op het vaststellen en behandelen van de oorzaak van de pijnklachten maar op bestrijding daarvan.

In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. De Raad is van oordeel dat het door Den Heijer verrichte onderzoek voldoende volledig en zorgvuldig is geweest. De Raad heeft geen tegenstrijdigheden kunnen ontdekken in diens rapport en acht het rapport deugdelijk onderbouwd. De Raad ziet, mede in aanmerking genomen de brief van anesthesioloog H.M. Koning van 25 maart 2003, waarin deze aangeeft onder welke omstandigheden de rugklachten van appellant zullen toenemen maar niet dat appellant geen arbeid zou kunnen verrichten, geen aanleiding te oordelen dat appellant op

2 december 2002 met zijn klachten en beperkingen zijn laatst verrichte werk van administratief medewerker niet kon verrichten.

De conclusie is dan ook dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk

(get.) A. van Netten.

Gw