Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8725

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
22-09-2006
Zaaknummer
05/2006 WVG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek van betrokkene om haar in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten een woonvoorziening in de vorm van een badlift toe te kennen.

Wetsverwijzingen
Wet verontreiniging oppervlaktewateren
Wet verontreiniging oppervlaktewateren 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2005/109 met annotatie van van der Meijden en van der Meijden

Uitspraak

05/2006 WVG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 maart 2005, 04/3898 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer (hierna: College),

Datum uitspraak: 20 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 9 augustus 2006. Partijen zijn daar niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Op 19 februari 2004 heeft appellante, geboren in 1929, het College verzocht om haar in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een woonvoorziening in de vorm van een badlift toe te kennen.

Op 9 maart 2004 heeft indicatie-adviseur R. Lubis (Lubis) in het kader van de aanvraag van appellante aan het College advies uitgebracht. In dit advies is aangegeven dat appellante bij hem bekend is met artrose en de restverschijnselen van een auto ongeval in 1973. Daarbij is aangegeven dat appellante weliswaar in staat is om in bad te douchen, maar dat zij slechts met grote moeite uit bad kan opstaan. Lubis komt echter tot de conclusie dat er geen indicatie voor baden aanwezig is.

Bij besluit van 10 maart 2004 heeft het College, onder verwijzing naar het onderzoek van Lubis, de gevraagde voorziening afgewezen.

Bij besluit van 3 augustus 2004 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 maart 2004 ongegrond verklaard op de grond dat de gevraagde voorziening niet medisch noodzakelijk is.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

3 augustus 2004 ongegrond verklaard.

De Raad overweegt het volgende.

Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad de vraag of het College de aanvraag voor een badlift terecht heeft afgewezen bevestigend. Daartoe overweegt de Raad dat niet is gebleken van een medische noodzaak op grond waarvan appellante is aangewezen op het nemen van een (therapeutisch) bad. Voorts biedt hetgeen appellante naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de conclusie van Lubis, dat appellante ten tijde in dit geding van belang voor haar lichaamsreiniging in bad kon douchen, onjuist is. Indien, zoals appellante in haar hoger beroepschrift heeft aangegeven, de situatie in 2005 zodanig is verslechterd dat zij niet meer over de badrand kan stappen om te douchen kan zij zich op basis van deze feiten met een nieuw verzoek tot het College wenden.

Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, uitgesproken in het openbaar op

20 september 2006.

(get) H.J. de Mooij.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen

PR/130906