Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8707

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-09-2006
Datum publicatie
22-09-2006
Zaaknummer
05-5184 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling dagloon. Vakantiebonnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/5184 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 juli 2005, 05/489 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 september 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.T.J. Poell, werkzaam bij FNV Bouw, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv de Raad doen toekomen het Bijzonder Dagloonbesluit IWS Bouwnijverheid.

Bij brief van 13 juli 2006 (met bijlagen) heeft mr. H. Koelewijn, advocaat te Woerden, namens appellant de gronden van het hoger beroep nader aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2006. Zoals aangekondigd, is appellant niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen G.A.G.T. Heijmans, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Het Uwv heeft bij besluit van 5 december 2003 aan appellant ingaande 27 oktober 2003 een uitkering krachtens de WW toegekend. Daarbij is het dagloon waarnaar deze uitkering wordt berekend, inclusief vakantiegeld vastgesteld op € 117,20. Voorafgaande aan zijn arbeidsurenverlies was appellant werkzaam als timmerman. Van zijn werkgever ontving hij vakantiebonnen. Bij de vaststelling van het dagloon is hiermede geen rekening gehouden.

Bij besluit van 17 maart 2004 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen het besluit van 5 december 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen laatstvermeld besluit ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder, heeft zij het volgende overwogen:

“Ingevolge artikel 7 van het Bijzonder Dagloonbesluit van de BV Bouw wordt, in afwijking van de Algemene Dagloonregels, de vakantiewaarde (vakantiebon) geacht tot het loon te behoren. Het Bijzonder Dagloonbesluit van de NAB bevat een dergelijke uitzondering niet.

De rechtbank stelt vast dat eisers werkgever GMT Bouw BV op grond van de door deze werkgever ingevulde verklaring (gedingstuk B 10.8) door verweerder is ingedeeld in de sector uitzendbedrijven. Een aansluiting van een werkgever als uitzendwerkgever bij verweerder komt overeen met een aansluiting bij de voormalige Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (NAB). Het vorenstaande betekent dat verweerder zich bij de vaststelling van eisers dagloon dient te baseren op het Bijzonder Dagloonbesluit van de NAB (door verweerder overgenomen als UWV-beleid) en niet op het Bijzonder Dagloonbesluit van de BV Bouw. Aangezien ingevolge het Bijzonder Dagloonbesluit van de NAB (zoals dat luidt na het wijzigingsbesluit van 19 december 1996) vakantiebonnen niet bij de berekening van het dagloon kunnen worden meegenomen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de dagloonvaststelling van eiser terecht geen rekening heeft gehouden met zijn vakantiebonnen.”.

De Raad sluit zich hierbij aan. Anders dan van de kant van appellant is betoogd, is niet beslissend of de CAO voor het Bouwbedrijf van toepassing was of had moeten zijn op de dienstbetrekking die appellant had voor zijn arbeidsurenverlies. Het Bijzonder Dagloonbesluit IWS voor de Bouwnijverheid maakt een uitzondering op artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, van de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid, waarin is bepaald dat niet geacht worden tot het loon te behoren aanspraken uit een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering. Dit besluit was van toepassing op die verzekerden die in dienstbetrekking stonden tot bij de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid aangesloten werkgevers en is thans van toepassing op die verzekerden die in dienstbetrekking stonden tot een door het Uwv bij de sector Bouw ingedeelde werkgever. Dat mogelijk appellants voormalige werkgever onjuist was ingedeeld, maakt dit niet anders.

Met betrekking tot het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel overweegt de Raad dat dit beroep faalt, omdat in het geval waarop hij heeft gewezen, het verdisconteren van vakantiebonnen in het dagloon voortvloeide uit de toepassing van de in artikel 17 van de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid vervatte garantieregeling. Van gelijke gevallen is dan ook geen sprake.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en deswege aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 september 2006.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) C.M.T. Kruls.

EK1209