Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8685

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-09-2006
Datum publicatie
22-09-2006
Zaaknummer
06-218 ALGEM
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep niet-ontvankelijk. Griffierecht niet (tijdig) betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/218 ALGEM

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant]., wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 december 2005, kenmerk 05/600 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinsituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 14 september 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.P.A. Balesar, belastingadviseur te Rotterdam hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 3 augustus 2006. Partijen zijn niet verschenen, het Uwv met voorafgaand schriftelijk bericht.

II. OVERWEGINGEN

De aangevallen uitspraak steunt op de overweging dat bij het instellen van het beroep het verschuldigde griffierecht niet is voldaan. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Bij brief van 9 augustus 2005 is appellant erop gewezen dat hij een griffierecht van € 37,-- is verschuldigd, en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken dient te zijn voldaan, bij voorkeur door middel van de aangehechte acceptgirokaart. Appellant is er daarbij op gewezen dat indien het griffierecht niet binnen de termijn is bijgeschreven of gestort, het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Bij aangetekende brief van 13 september 2005 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht.

De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, vaststellend dat het griffierecht niet is betaald en dat niet gebleken is van feiten en/ of omstandigheden op grond waarvan appellant redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.

De gemachtigde van appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het verschuldigde griffierecht is voldaan en heeft daartoe een rekeningafschrift van appellant overgelegd waaruit blijkt dat het verschuldigde bedrag op 19 juli 2005 is bijgeboekt op de rekening van de rechtbank.

Uit een volgend rekeningafschrift blijkt dat de rechtbank op 9 augustus 2005 het griffierecht heeft teruggeboekt op de rekening van appellant onder vermelding van te weinig gegevens.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt degene die beroep heeft ingesteld niet-ontvankelijk verklaard indien het verschuldigde recht niet binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling van de griffier is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of ter griffie is gestort.

Hetgeen gemachtigde van appellant heeft aangevoerd kan niet leiden tot de conclusie dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest.

Omdat de gemachtigde van appellant niet aan de uitnodiging tot betaling van 9 augustus 2005 had voldaan, is hij bij aangetekend schrijven van 13 september 2005 nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het recht. Aan deze laatste uitnodiging is evenmin gevolg gegeven door de gemachtigde van appellant.

Het had op de weg van de gemachtigde van appellant gelegen om adequaat te reageren op de uitnodigingen tot betaling van de rechtbank. Daarnaast heeft de gemachtigde van appellant nadat bleek dat het geld was teruggeboekt, niet aanstonds maatregelen getroffen ten einde de fout te corrigeren.

Gelet op het voorgaande kan de Raad niet anders oordelen dan dat de door de rechtbank Rotterdam gevolgde handelswijze geheel in overeenstemming is met artikel 8:41, tweede lid, van de Awb.

Op grond van het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 september 2006.

(get.) G. van der Wiel

(get.) C.M.T. Kruls.

HE/1596