Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8683

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2006
Datum publicatie
22-09-2006
Zaaknummer
06-5396 AW-VV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het College heeft geen voorlopige voorziening gevraagd om de werking van de aangevallen uitspraak op te schorten. Geen uitvoering van de uitspraak door bestuursorgaan om een nader besluit te nemen. Toewijzing voorlopige voorziening aan verzoeker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/5396 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

het College van Bestuur van de Technische Universiteit Delft,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 3 juni 2005, 03/109 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

het College van Bestuur van de Technische Universiteit Delft (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Het College heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven.

II. OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoeker is met ingang van 1 september 1992 aangesteld in de functie van hoogleraar bouwprocessen bij de Technische Universiteit Delft.

1.2. Bij besluit van 1 februari 2002 is over het functioneren van appellant een beoordeling vastgesteld. Bij besluit van 26 april 2002 heeft het College verzoeker eervol ontslag verleend op grond van artikel 12.6, vijfde lid, aanhef en onder g, van de CAO Nederlandse Universiteiten wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de door hem beklede functie anders dan op grond van ziekten of gebreken. Bij het bestreden besluit van 18 december 2002 heeft het College de bezwaren van verzoeker tegen de besluiten van 1 februari 2002 en 26 april 2002 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de beoordeling niet heeft plaatsgevonden volgens de Beoordelingssystematiek hoogleraren, Technische Universiteit Delft 1995 en dat het oordeel van het College dat verzoeker ongeschikt dan wel onbekwaam is voor zijn functie, onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank heeft het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

3. Het College heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.

4. Op 12 september 2006 heeft verzoeker te kennen gegeven dat hij zich niet kan verenigen met het uitblijven van een ter uitvoering van de aangevallen uitspraak te nemen nieuw besluit op bezwaar. In dat kader is namens verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Overeenkomstig vaste rechtspraak van de Raad dient in hoger beroep ook de door verzoeker aangevochten (fictieve) weigering om te beslissen met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb te worden beoordeeld. In dat kader kan ook een voorlopige voorziening worden getroffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

5.2. De voorzieningenrechter constateert dat door het College geen voorlopige voorziening is gevraagd ten einde de werking van de aangevallen uitspraak op te schorten. Het College was derhalve gehouden om ter uitvoering van die uitspraak een nader besluit te nemen.

5.3. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat verzoeker en het College na de aangevallen uitspraak gedurende een jaar hebben getracht een minnelijke regeling te treffen. Uiteindelijk is die minnelijke regeling tussen partijen niet tot stand gekomen. Op 15 mei 2006 heeft het College de gronden waarop het hoger beroep berust, bij de Raad ingediend. Verzoeker heeft op 13 juni 2006 een verweerschrift ingediend.

5.4. Op 23 augustus 2006 heeft het College desgevraagd bericht dat nu partijen geen minnelijke regeling hebben kunnen treffen, de Centrale Commissie voor de Bezwaarschriften (hierna: Centrale Commissie) opnieuw om advies zal worden gevraagd. In dat kader zal op 18 oktober 2006 een hoorzitting plaatsvinden. Na ontvangst van het advies van de Centrale Commissie zal het College een nieuw besluit op bezwaar kunnen nemen.

5.5. In aanmerking genomen dat na de aangevallen uitspraak reeds 15 maanden zijn verstreken en het College geen zekerheid geeft met betrekking tot de tijdspanne waarbinnen het nieuwe besluit op bezwaar genomen zal worden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.

5.6. Het College wordt daarom thans opgedragen het met inachtneming van de aangevallen uitspraak van 3 juni 2005 te nemen besluit uiterlijk op 1 november 2006 aan verzoeker bekend te maken.

6. De voorzieningenrechter ziet in het vorenstaande aanleiding het College met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 322,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb toe;

Geeft het College de opdracht om ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 3 juni 2005 een nieuw besluit op bezwaar te nemen en dit uiterlijk 1 november 2006 aan verzoeker bekend te maken;

Veroordeelt het College in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 322,-- te betalen door de Technische Universiteit Delft;

Bepaalt dat de Technische Universiteit Delft aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 141,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B. Serno als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 september 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen

(get.) B. Serno

FB/20/09