Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8630

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
21-09-2006
Zaaknummer
04-3923 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ziekmelding vanuit WW-situatie. WAO-schatting. Is medische en arbeidskundige beoordeling juist? Resteert voldoende aantal passende functies?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/3923 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 10 juni 2004, 03/331 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.H.R. van Heeks, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2006.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Heeks. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Knufman.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is eind november 1998 wegens psychische klachten, in verband met een rouwproces na de gewelddadige dood van haar moeder, ongeschikt geworden voor haar werk als agrarisch medewerkster. In aansluiting op de wachttijd van

52 weken werd zij destijds niet arbeidsongeschikt geacht in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Appellante heeft zich op 17 juli 2001, vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet (WW), arbeidsongeschikt gemeld. Naar aanleiding hiervan is zij in april 2002 en op 15 juli 2002 gezien door een verzekeringsarts, die vaststelde dat sprake was van surmenage met meerdere somatoforme klachten van de nek, rug, schouders, polsen en handen en tevens aspecifieke chronische rugpijn. De verzekeringsarts heeft beperkingen vastgesteld op psychisch gebied en ook beperkingen aangenomen ten aanzien van lichamelijk zware arbeid, overbelasting van de rug, rechterschouder, polsen en handen. Dit is vastgelegd in een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd, die appellante met inachtneming van die beperkingen moet kunnen vervullen en waarmee zij een zodanig inkomen kon verdienen dat geen sprake was van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO.

Bij besluit van 20 augustus 2002 is aan appellante dienovereenkomstig meegedeeld dat haar met ingang van 16 juli 2002 geen uitkering ingevolge de WAO werd toegekend.

Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt en heeft zich tevens op 12 september 2002 weer in het kader van de WW ziek gemeld. Naar aanleiding van deze ziekmelding is appellante op het spreekuur geweest van een verzekeringsarts, die blijkens de Medische Kaart na onderzoek tot aspecifieke bevindingen kwam en een discrepantie tussen de klachten en deze bevindingen constateerde. Er werden geen toegenomen beperkingen waargenomen en appellante werd geschikt geacht voor de hiervoor bedoelde functies.

Bij besluit van 27 november 2002 is aan appellante met ingang van 2 december 2002 geen ziekengeld meer toegekend. Ook tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

Appellante is op 7 januari 2003 in het kader van beide bezwaarprocedures gezien door een bezwaarverzekeringsarts. Mede gelet op de toen overgelegde informatie van de behandelend sector bleek sprake te zijn van gewrichtsklachten, passend bij fibromyalgie. De bezwaarverzekeringsarts zag, mede lettend op de wisselende depressieve klachten, geen aanleiding om zwaardere beperkingen aan te nemen dan de primaire verzekeringsarts had gedaan. Een bezwaararbeidsdeskundige is vervolgens in een rapport van 23 januari 2003 tot de conclusie gekomen dat de geselecteerde functies voldoende afwisseling tussen zitten, staan en lopen kenden en ook overigens voor appellante geschikt waren. Ook na correctie van het maatgevend inkomen diende de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 15% te worden gesteld.

Bij besluit van 4 februari 2003 is het bezwaar tegen de hiervoor vermelde besluiten van 20 augustus 2002 en 27 november 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft, voorzover in hoger beroep nog van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan het onderzoek van de betrokken verzekeringsartsen en bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat deze verzekeringsartsen hun conclusie, naast bevindingen uit eigen onderzoek, mede hebben gebaseerd op informatie van de huisarts en reumatoloog en dat van de zijde van appellante geen medische gegevens zijn ingebracht die aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen.

Wat betreft de arbeidskundige component van de beslissing inzake de WAO heeft de rechtbank vastgesteld dat weliswaar een aantal functies niet als passend is te beschouwen, maar dat nog een voldoende aantal functies resteert, met het vereiste aantal arbeidsplaatsen, om de schatting op te kunnen baseren.

De Raad verenigt zich met het uitvoerig gemotiveerde oordeel van de rechtbank en onderschrijft de in de aangevallen uitspraak neergelegde overwegingen.

Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd merkt de Raad nog op dat de gemachtigde van appellante zich bij brief van 22 april 2004 heeft afgemeld voor de zitting van de rechtbank van 29 april 2004, maar daarbij niet heeft verzocht om aanhouding van de zaak. Het in die brief tevens vervatte verzoek, gebracht als ware het ter zitting gedaan, om een psychiater te benoemen heeft de rechtbank niet gehonoreerd, zodat dit verzoek daarmee impliciet door de rechtbank is afgewezen. De Raad vermag niet in te zien dat de aangevallen uitspraak om die reden niet in stand zou kunnen blijven.

De in hoger beroep nog overgelegde gegevens hebben, voorzover voor de onderhavige procedures relevant, betrekking op een behandelplan bij GGZ-centrum Westfriesland, dat kennelijk in juni 2004 is gestart. Het zijn gegevens die betrekking hebben op de toen actuele situatie van appellante. Naar het oordeel van de Raad bevatten de betreffende rapporten echter geen informatie die voor de onderhavige procedures van doorslaggevende betekenis is.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitsproken in het openbaar op 20 september 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.