Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8589

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-09-2006
Datum publicatie
21-09-2006
Zaaknummer
05/5959 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WW-uitkering geweigerd wegens toekenning WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/5959 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 augustus 2005, 05/322, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 september 2006.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2006. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M. Folkers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijd als hier van belang.

2. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De uitkering is bij besluit van 14 april 2003 met ingang van 11 juni 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Nadat appellant hiertegen bezwaar had gemaakt, is bij de beslissing op bezwaar van 13 juli 2004 besloten dat appellant per 11 juni 2003 alsnog volledig arbeidsongeschikt was. De uitkering ingevolge de WAO werd per 11 juni 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en vanaf 1 oktober 2004 naar een mate van 65 tot 80%.

2.2. Naar aanleiding van de herkeuring voor de WAO in april 2003 heeft appellant in mei 2003 een verzoek om uitkering ingevolge de WW gedaan, welke uitkering hem is toegekend. Bij besluit van 3 november 2004 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de WW per 11 juni 2003 dient te worden beëindigd gelet op het bepaalde in

artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW, omdat appellant per die datum recht heeft op een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het Uwv heeft bij de beslissing op bezwaar van 8 december 2004 (hierna: het bestreden besluit) het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW geen recht op uitkering bestaat voor de werknemer die een uitkering ontvangt op grond van de WAO naar een arbeidsongeschiktheid van tenminste 80%. De WAO-uitkering van appellant, die bij besluit van 13 juli 2004 met terugwerkende kracht per 11 juni 2003 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, is feitelijk aan appellant betaalbaar gesteld vanaf 1 augustus 2004 en de aan appellant verstrekte uitkering over de periode van 11 juni 2003 tot 1 oktober 2004 betrof een uitkering krachtens de WW. De rechtbank heeft hierover opgemerkt dat gedaagde ter zitting heeft bevestigd dat de bedragen van de verstrekte WW-uitkering en die van de WAO-uitkering, die eigenlijk uitgekeerd hadden moeten worden, met elkaar zijn verrekend, en dat een correctie dan wel terug- of nabetaling niet noodzakelijk is. Appellant heeft derhalve het juiste bedrag aan uitkering ontvangen, zij het niet op grond van de juiste wet. De rechtbank concludeerde dat, gelet op het bestreden besluit, gedaagde gehouden was de WW-uitkering van appellant met ingang van 11 juni 2003 te beëindigen en het beroep is vervolgens ongegrond verklaard.

4. Appellant heeft in hoger beroep zijn bij de rechtbank ingenomen standpunt herhaald, waarbij zijn voornaamste bezwaren zijn gelegen in de onduidelijkheid die is ontstaan als gevolg van de heroverweging in bezwaar van de herziening van de WAO-uitkering per 11 juni 2003 en de financiële afwikkeling van die herziening.

5. De Raad is met de rechtbank en op de door de rechtbank genoemde gronden van oordeel dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat, gelet op het bepaalde in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW, op de WW-uitkering van appellant met ingang van 11 juni 2003 een uitsluitingsgrond van toepassing was. Het Uwv heeft bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van 3 november 2004 dan ook terecht achteraf aan appellant per 11 juni 2003 een WW-uitkering ontzegd.

5.1. Tenslotte merkt de Raad nog op, dat appellant in reactie op het verweerschrift van het Uwv heeft geklaagd over de in een brief van het Uwv van 12 april 2006 gemaakte financiële opgave. Omdat de inhoud van dit schrijven van het Uwv een beslissing betreft die buiten de omvang van het onderhavige geding valt, ziet de Raad geen aanleiding op hetgeen appellant over die brief naar voren heeft gebracht in te gaan.

6. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 september 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.R.S. Bacon.