Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8574

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
21-09-2006
Zaaknummer
04-3735 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Geschiktheid voor eigen werk, zijnde gezien WAO-schatting gangbare arbeid, zoals geduid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/3735 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 juni 2004, 03/2420 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.F.J. Witlox, advocaat te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2006.

Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Nuyens.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is destijds in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per einde wachttijd

- 30 januari 2003 - een uitkering geweigerd omdat hij geschikt werd geacht gangbare arbeid te verrichten. Als gangbare arbeid zijn hem de functies vleeswarenmaker/slachter, wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur en productiemedewerker industrie geduid.

Appellant heeft zich met ingang van 1 april 2003 met rug- en rechter heupklachten vanuit de Werkloosheidswet (WW) ziek gemeld. Terzake van het onderhavige ziektegeval heeft appellant op 20 mei 2003 het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts, die hem na onderzoek per 1 april 2003 niet ongeschikt achtte tot het verrichten van zijn arbeid.

Bij besluit van 22 mei 2003 is appellant per 1 april 2003 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd.

Bij besluit van 11 september 2003 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 22 mei 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de onderzoeksbevindingen van de betrokken verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts zijn conclusie mede heeft gebaseerd op de brief van 17 juni 2003 van orthopeed D.B. van der Schaaf en dat van de zijde van appellant verder geen medische gegevens zijn ingebracht die steun geven aan de opvatting dat op de datum in geding van verdergaande lichamelijke beperkingen zou moeten worden uitgegaan.

De Raad verenigt zich met bovengenoemd oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

De Raad overweegt voorts als volgt.

Ingevolge artikel 19 van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, recht op ziekengeld.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Nu deze concretisering in het kader van de WAO betekent dat een aantal functies ieder afzonderlijk voor de betrokken verzekerde geschikt is geacht, dient onder “zijn arbeid” in de zin van

artikel 19 van de ZW te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk. Dit brengt mee dat de verzekerde in de hier bedoelde gevallen voor de toepassing van de ZW ongeschikt is voor “zijn arbeid”, als hij voor al deze functies ongeschikt is.

In het onderhavige geval moet als “zijn arbeid” dus worden aangemerkt elk van de functies die aan appellant zijn voorgehouden in het kader van de eerder genoemde weigering van de WAO-uitkering.

In hetgeen appellant in hoger beroep, zonder nadere medische onderbouwing, heeft aangevoerd omtrent zijn heup- en rugklachten, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank, dan wel een nader medisch onderzoek te laten instellen.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.