Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8481

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
20-09-2006
Zaaknummer
04-6818 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld omdat betrokkene niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/6818 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 november 2004, 03/4809 hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.R. Hettema, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2006.

Voor appellant is verschenen mr. Hettema voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, werkzaam als schoonmaker en aftanker van bussen, heeft zich op

21 september 2002 ziek gemeld wegens psychische klachten. In verband met de ziekmelding is appellant gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts van

9 januari, 8 mei en 26 juni 2003. Bij de laatste beoordeling heeft de verzekeringsarts appellant per 30 juni 2003 hersteld verklaard.

Bij besluit van 9 juli 2003 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 30 juni 2003 geen recht (meer) heeft op ziekengeld, omdat hij per die datum niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 10 september 2003

(bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de betrokken bezwaarverzekeringsarts, die naar het oordeel van de rechtbank blijk heeft gegeven van een voldoende zorgvuldig onderzoek.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant bij brief van 26 januari 2005 de Raad een brief van de zenuwarts H. Loen van 25 januari 2005 doen toekomen, waaruit blijkt dat appellant lijdt aan een depressie met name naar aanleiding van sociale problematiek.

De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en ziet in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geen reden voor een andersluidend oordeel.

Bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer constateerde in de rapportage van

8 september 2006 grote sociale problemen met daarnaast lichte surmenageklachten. Ondanks de psychische klachten, zag de bezwaarverzekeringsarts mede op grond van de gegevens van de behandelend sector en de rapportage van de arbeidsdeskundige

- waaruit blijkt dat er in psychisch opzicht geen hoge eisen worden gesteld aan appellants arbeid - geen aanleiding om af te wijken van het standpunt van de primaire verzekeringsarts. De klachten die door Cramer zijn onderkend liggen in de lijn met de door Loen gestelde conclusie. Dit in aanmerking genomen heeft de bezwaarverzekeringsarts - naar het oordeel van de Raad op goede gronden - de conclusie getrokken dat appellant in staat moest worden geacht om zijn arbeid te verrichten.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006.

Ch. van Voorst.

P. van der Wal.

MR