Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8479

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
20-09-2006
Zaaknummer
04-5808 AAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering tot herziening besluit inzake AAW. Geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/5808 AAW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 september 2004, 04/111 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2006.

Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.J. Samson.

II. OVERWEGINGEN

Bij de aangevallen uitspraak zijn de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden als volgt weergegeven (appellant en het Uwv zijn daarbij aangeduid als eiser en verweerder):

“Eiser heeft van jongs af aan ernstige astma bronchiale, waarvoor hij rond zijn achtste jaar is verpleegd in Davos. Als kind is hij geopereerd, waarbij longaders werden gecorrigeerd. Tevens lijdt eiser aan verschillende allergieën.

Op 12 februari 1997 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend voor een AAW-uitkering. Na een verzekerings- geneeskundig en een arbeidskundig onderzoek heeft verweerder bij besluit van 1 juli 1997 de uitkering geweigerd, omdat eiser vanaf zijn zeventiende verjaardag niet 52 weken onafgebroken voor ten minste 25% arbeidsongeschikt is geweest en in elk geval de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser vanaf 4 december 1994 minder dan 25% bedraagt. Het tegen dit besluit bij brief van 25 september 1997 ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 10 november 1997 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare te late indiening van het bezwaarschrift. ”

Bij brief van 11 juli 2003 heeft appellants gemachtigde het Uwv verzocht het besluit van 1 juli 1997 te herzien, omdat dit evident onjuist zou zijn. Appellant baseerde die stelling op het feit dat er voorafgaande aan dat besluit geen zorgvuldig onderzoek was gedaan naar zijn longklachten. In ieder geval was onderzoek door een onafhankelijk longarts achterwege gebleven.

Bij brief van 4 augustus 2003 is appellant in kennis gesteld van het besluit, dat zijn verzoek was afgewezen.

Bij besluit van 3 december 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het primaire besluit van 4 augustus 2003 ongegrond verklaard, onder overweging – onder meer – dat geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

De rechtbank heeft het beroep met verwijzing naar de jurisprudentie van de Raad inzake artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

In aanmerking genomen dat appellants gemachtigde ook in hoger beroep heeft erkend dat geen nieuwe feiten en/of omstandigheden naar voren zijn gebracht, kan het hoger beroep niet slagen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006.

(get.) Ch. Van Voorst.

(get.) P. van der Wal.