Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8279

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-09-2006
Datum publicatie
18-09-2006
Zaaknummer
05-6109 WTS
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing toekenning van een tegemoetkoming ingevolge de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Wettelijk vertegenwoordiger.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2006, 341

Uitspraak

05/6109 WTS

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 20 september 2005, kenmerk 05/129 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep)

Datum uitspraak: 15 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2006. Appellant is in persoon verschenen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 27 oktober 2004 (Bericht Tegemoetkoming ouders schooljaar 2004-2005, nr. 1) heeft de IB-Groep de aanvraag van appellant om toekenning van een tegemoetkoming ingevolge de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) voor zijn dochter [dochter] afgewezen.

Bij besluit van 23 december 2004 heeft de IB-Groep het bezwaarschrift van appellant tegen het besluit van 27 oktober 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank Leeuwarden heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 23 december 2004 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld op de in zijn beroepschrift van 27 oktober 2005 uiteengezette gronden, waarnaar hierbij zij verwezen.

Het geding betreft de afwijzing van appellants aanvraag in verband met het feit dat hij niet over het tweede kwartaal van 2004 kinderbijslag voor zijn dochter heeft genoten.

De dochter is in de loop van juni 2004 bij hem komen wonen en stond aan het begin van het schooljaar 2004-2005 bij hem ingeschreven. Hij vindt het onredelijk dat de tegemoetkoming aan zijn ex-echtgenote is toegekend en niet aan hem, hoewel zijn dochter het hele schooljaar bij hem heeft gewoond en hij alle schoolkosten heeft gedragen.

De Raad overweegt het volgende.

In artikel 1.1, tweede lid, van de WTOS (dat in het tweede lid van artikel 1.3, handelend over de aanvraag, van overeenkomstige toepassing is verklaard) is beschreven volgens welke rangorde wordt beoordeeld wie in aanmerking komen voor een tegemoetkoming indien er - zoals in het geval van appellant en zijn ex-echtgenote – twee natuurlijke personen zijn die voldoen aan het begrip wettelijke vertegenwoordiger.

Als eerste komt in aanmerking de wettelijke vertegenwoordiger die over het tweede kwartaal van het jaar waarin het schooljaar aanvangt ten behoeve van de leerling kinderbijslag als bedoeld in de Algemene Kinderbijslagwet heeft ontvangen. Dit is geregeld in onderdeel a van artikel 1.1, tweede lid.

Appellant beroept zich op onderdeel b van artikel 1.1, tweede lid. Dit luidt: ”indien onderdeel a niet van toepassing is: wettelijke vertegenwoordiger bij wie de leerling op 1 augustus blijkens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens woont,”.

Nu de ex-echtgenote van appellant over het tweede kwartaal van 2004 kinderbijslag voor [dochter] heeft ontvangen, is onderdeel a van toepassing. Onderdeel b komt bijgevolg niet aan de orde. Appellant kan zich er dan ook niet met vrucht op beroepen dat [dochter] aan het begin van het schooljaar bij hem stond ingeschreven.

Op grond van het bovenstaande is de Raad van oordeel dat de IB-Groep een juiste toepassing heeft gegeven aan de in aanmerking komende wettelijke bepalingen. Het moge duidelijk zijn dat het resultaat van deze toepassing door appellant als onredelijk wordt ervaren, maar dat is geen reden om – met toepassing van de hardheidsclausule – af te wijken van de in de wet neergelegde duidelijke regels.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Er zijn geen termen aanwezig voor vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 september 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

Gw