Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8274

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-09-2006
Datum publicatie
18-09-2006
Zaaknummer
04-2338 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging WAO-uitkering. Juistheid medisch en arbeidskundig oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/2338 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 april 2004, 03/2643 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2006. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 4 april 2003 heeft het Uwv bepaald dat appellantes uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 20 maart 2003 wordt beëindigd omdat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% bedraagt.

Bij besluit van 28 augustus 2003 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van

4 april 2003 herroepen met betrekking tot de datum van de beëindiging en bepaald dat de uitkering ingaande 20 maart 2003 ongewijzigd wordt voortgezet naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en dat vervolgens de uitkering ingaande

27 april 2003 wordt beëindigd.

Het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is bij aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij van mening is dat haar aanspraken bij de bestreden uitspraak niet naar behoren zijn erkend; de gemachtigde van appellante heeft ter onderbouwing van het hoger beroep haar in eerdere fasen van de procedure voorgedragen standpunten in essentie herhaald. Verder is in hoger beroep de reactie op de aangevallen uitspraak van mw. Verhage, directrice van Instituut Psychosofia, d.d. 4 mei 2004 ingediend.

De Raad heeft geen aanleiding gezien ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven.

Wat betreft de door de gemachtigde van appellante ingebrachte rapporten van

mevr. Verhage volstaat de Raad te verwijzen naar zijn inmiddels dienaangaande gevormde vaste jurisprudentie.

De Raad is van oordeel dat de rechtbank de grieven van appellante afdoende heeft besproken en genoegzaam heeft gemotiveerd waarom die grieven niet slagen.

De Raad stelt vast dat in hoger beroep geen objectief medische gegevens zijn overgelegd die steun bieden aan een andersluidend oordeel.

Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft naar het oordeel van de Raad geen gebreken. Er zijn voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen geduid die appellante, gelet op de voor haar vastgestelde belastbaarheid moet kunnen vervullen.

Het vorenstaande brengt met zich mee dat het hoger beroep van appellante faalt.

Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 september 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

Gw