Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8272

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-09-2006
Datum publicatie
18-09-2006
Zaaknummer
03/5761 en 06/2596 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aangescherpt beleid met betrekking tot bewijs onderheidseis kon in casu niet aan betrokkene worden tegengeworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/5761 en 06/2596 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2003, 02/3404 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 8 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder de Svb mede verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellant heeft drs. F.W. King, rechtskundig adviseur te Leiden, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Op 20 januari 2006 heeft de Svb een nieuw besluit afgegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2006. Appellant is in persoon verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A. Slovacek.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft de Turkse nationaliteit. Hij is van 31 oktober 1989 tot 27 juni 2001 gehuwd geweest met [partner]. Daarnaast was hij door een imam-huwelijk verbonden aan [partner 2]. Uit deze laatste relatie zijn drie kinderen geboren: Gülüzar (21-5-1987), Belkizar (17-10-1990) en Osman (3-6-1993). De eerste twee kinderen zijn in maart 1992 volgens de Turkse Amnestiewet 3716 als eigen kinderen van appellant geregistreerd. Appellant heeft Osman in augustus 1998 naar Turks recht erkend op het Turkse consulaat. De kinderen verbleven ten tijde in geding bij [partner 2] in Turkije. Appellant is op 18 juli 2001 wettig gehuwd met [partner 2].

Tot en met het tweede kwartaal van 1998 heeft appellant kinderbijslag ontvangen voor Gülüzar en Belkizar. Vanaf het derde kwartaal van 1998 heeft de Svb appellant aanvankelijk kinderbijslag geweigerd omdat appellant op grond van de koppelings-wetgeving niet verzekerd zou zijn ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Tijdens de bezwaarprocedure tegen deze weigering heeft de Svb zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 26 juni 2001, RSV 2001/216, op het standpunt gesteld dat appellant op en na 1 juli 1998 verzekerd is gebleven ingevolge de AKW. De Svb heeft zijn afwijzing van kinderbijslag echter gehandhaafd op de grond dat Gülüzar, Belkizar en Osman niet als eigen, aangehuwde of pleegkinderen van appellant konden worden aangemerkt. Na een aantal procedurele verwikkelingen is met het inmiddels rechtens onaantastbaar geworden besluit van 15 maart 2002 komen vast te staan dat appellant over het derde kwartaal van 1998 tot en met het eerste kwartaal van 1999 geen recht heeft op kinderbijslag.

Appellant heeft in juli 2000 een nieuwe aanvraag om kinderbijslag ingediend. Bij besluit op bezwaar van 29 oktober 2002 (besluit 1) heeft de Svb, na heroverweging van het primaire besluit van 10 mei 2002, volhard in zijn weigering van kinderbijslag aan appellant over het tweede kwartaal van 1999 tot en met het derde kwartaal van 2001. Aan dit besluit lag het oordeel ten grondslag dat Gülüzar en Belkizar niet als eigen, aange-huwde of pleegkinderen van appellant konden worden beschouwd.

Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 15 april 2005, RSV 2005/224, heeft de Svb zich nader op het standpunt gesteld dat Gülüzar, Belkizar en Osman wel als eigen kinderen van appellant kunnen worden aangemerkt. Dit heeft echter niet geleid tot toekenning van kinderbijslag. Bij besluit op bezwaar van 20 januari 2006 (besluit 2) heeft de Svb aan de weigering van kinderbijslag over het tweede kwartaal van 1999 tot en met het derde kwartaal van 2001 de motivering ten grondslag gelegd dat de kinderen op de peildata van deze kwartalen niet tot het huishouden van appellant behoorden en dat appellant niet heeft aangetoond, de kinderen gedurende deze kwartalen in belangrijke mate te hebben onderhouden. Appellant heeft over de betreffende kwartalen wel bewijzen overgelegd van storting van bedragen aan de verzorgster van de kinderen, maar geen bewijzen van ontvangst van deze bedragen door de verzorgster. Uitsluitend over het derde kwartaal van 2001 is tevens een ontvangstbewijs aanwezig. Over dit kwartaal zou de geleverde bijdrage echter ontoereikend zijn.

Nadat was gebleken dat de Svb bij de toetsing aan de onderhoudseis onjuiste bedragen had gehanteerd, heeft de Svb zich ter zitting van de Raad alsnog op het standpunt gesteld dat appellant over het derde kwartaal van 2001 recht heeft op kinderbijslag. Aldus is tussen partijen nog in geschil het recht op kinderbijslag van appellant over het tweede kwartaal van 1999 tot en met het tweede kwartaal van 2001.

De Raad overweegt als volgt.

Bij besluit 2 heeft de Svb besluit 1 ingetrokken. Nu de Svb bij besluit 2 niet volledig aan het beroep van appellant tegemoet is gekomen, wordt diens hoger beroep op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede geacht te zijn gericht tegen besluit 2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank besluit 1 in stand gelaten. Gesteld noch gebleken is dat appellant nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van deze uitspraak. De Raad zal het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak derhalve niet-ontvankelijk verklaren.

Tussen partijen is niet in geschil dat de kinderen in de periode van het tweede kwartaal van 1999 tot en met het tweede kwartaal van 2001 niet tot het huishouden van appellant behoorden. Derhalve kan appellant over deze kwartalen slechts aanspraak maken op kinderbijslag indien hij aantoont aan de onderhoudseis te hebben voldaan. De Raad stelt vast dat de door appellant gestorte bedragen, behalve over het vierde kwartaal van 1999, hiertoe op zichzelf toereikend zijn. De Raad ziet zich derhalve gesteld voor de vraag of appellant door het overleggen van stortingsbewijzen zonder corresponderende ontvangst-bewijzen genoegzaam heeft aangetoond daadwerkelijk in het onderhoud van de kinderen te hebben bijgedragen.

Zoals de Raad reeds vele malen heeft overwogen, kan van de aanvrager van kinderbijslag van wie de kinderen niet tot zijn huishouden behoren, worden gevergd dat hij op eenvoudig te controleren wijze aantoont de vereiste onderhoudsbijdragen te hebben geleverd.

Desgevraagd heeft de Svb verklaard dat voorafgaand aan het Besluit Beleidsregels SVB d.d. 24 april 1998 (verder: het Besluit) bij de controle op het voldaan zijn aan de onderhoudseis ten aanzien van stortingen op een bankrekening genoegen werd genomen met stortingsbewijzen zonder corresponderende ontvangstbewijzen. Bij de inwerking-treding van het Besluit is de Svb ook ontvangstbewijzen gaan vragen.

Het aangescherpte beleid is algemeen bekendgemaakt door publicatie van het Besluit in Staatscourant 1998, nr. 98 in combinatie met terinzagelegging van de Beleidsregels SVB 1998 op de kantoren van de Svb en het uitbrengen van een handelseditie van deze beleidsregels. De Svb heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende kinder-bijslaggerechtigden (reeds) door deze wijze van publicatie konden begrijpen dat het beleid van de Svb een voor hen relevante wijziging had ondergaan. Gelet op de wel zeer algemeen geformuleerde toelichting bij het Besluit koestert de Raad twijfels bij dit, kennelijk op ’s Raads uitspraak van 9 juli 2004, RSV 2004/ 271 gebaseerde, standpunt van de Svb.

De Raad kan echter in het midden laten of de onderhavige bekendmaking van het aangescherpte beleid heeft voldaan aan de eisen van artikel 3:42 van de Awb, nu dit beleid in het onderhavige geval toch niet aan appellant kan worden tegengeworpen.

Daartoe overweegt de Raad als volgt.

Voorzover de Svb heeft kunnen nagaan heeft appellant, kennelijk in tegenstelling tot andere kinderbijslaggerechtigden, nooit bericht ontvangen dat de Svb op dit punt een strengere uitvoeringspraktijk is gaan hanteren. Dat appellant hierover geen bericht heeft ontvangen is het gevolg van het feit dat de Svb, achteraf beschouwd ten onrechte, appellant op basis van de koppelingswetgeving niet langer verzekerd achtte. Vervolgens heeft de Svb aan appellant over een aantal jaren kinderbijslag geweigerd omdat hij bovengenoemde kinderen, achteraf beschouwd eveneens ten onrechte, niet beschouwde als eigen kinderen van appellant. Ook in deze jaren heeft de Svb appellant niet laten weten het verstrekken van enkel stortingsbewijzen niet langer toereikend te achten. Appellant heeft derhalve, in tegenstelling tot andere kinderbijslaggerechtigden, op geen enkel moment vernomen dat het voor hem van belang kon zijn ontvangstbewijzen te laten bewaren.

Hoewel aan de Svb, gelet op de toenmalige stand van het recht, geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat hij appellant ten tijde in geding niet langer verzekerd achtte en hem dus ook niet van de aangescherpte controlemaatregelen op de hoogte heeft gesteld, kan zulks naar het oordeel van de Raad niet voor risico van appellant komen. Waar andere kinderbijslaggerechtigden kennelijk wel individueel van het aangescherpte beleid op de hoogte zijn gesteld en waar, uitsluitend als gevolg van een later door de Raad onrechtmatig geachte uitsluiting van de verzekering, individuele berichtgeving aan appellant niet heeft plaatsgevonden, moet het bestreden besluit, waarbij het aange-scherpte beleid onverkort aan appellant wordt tegengeworpen, in strijd worden geacht met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Nu het ontbreken van ontvangstbewijzen naar het oordeel van de Raad niet aan appellant mag worden tegengeworpen, heeft appellant genoegzaam aangetoond dat hij over het tweede kwartaal van 1999 tot en met het tweede kwartaal van 2001, met uitzondering van het vierde kwartaal van 1999, aan de onderhoudseis heeft voldaan.

Gelet op het bovenstaande kan besluit 2 niet in stand blijven. De Svb dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 gegrond;

Vernietigt besluit 2;

Bepaalt dat de Svb een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de Sociale verzekeringsbank;

Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 116,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 september 2006.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) P.H. Broier.

MH