Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8270

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-09-2006
Datum publicatie
18-09-2006
Zaaknummer
06-50 WSF + 06-510 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toegekende studiefinanciering is omgezet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende. Discrepantie tussen het opgegeven woonadres en het GBA-adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/50 WSF + 06/510 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 25 november 2005, kenmerk 05/269 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellante

Datum uitspraak: 15 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Bij haar beroepschrift heeft appellante een nader besluit, gedateerd 20 januari 2006, meegezonden. Bij dit besluit is uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak. Appellante heeft de Raad verzocht dit nadere besluit eveneens te vernietigen, indien de aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het inleidende beroep van betrokkene alsnog ongegrond wordt verklaard.

Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2006. Appellante was vertegenwoordigd door mr. drs. E.H.A. van den Berg. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij schrijven van 12 oktober 2004 heeft appellante aan betrokkene meegedeeld dat bij controle is gebleken dat het woonadres dat hij aan de IB-Groep heeft doorgegeven ([adres 1]) afwijkt van het adres waarop hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) staat ingeschreven ([adres 2]). Betrokkene is in die brief gewaarschuwd dat indien hij de afwijking tussen beide adressen niet binnen vier weken ongedaan maakt, de hem toegekende beurs naar de norm voor een uitwonende studerende met ingang van september 2004 wordt omgezet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende.

Vervolgens heeft appellante bij besluit van 11 december 2004 de aan betrokkene toegekende studiefinanciering met ingang van september 2004 omgezet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende.

Tegen dit besluit heeft betrokkene bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van

18 december 2004. Hij heeft daarbij aangevoerd dat hij zijn adres in [wo[woonplaats], waar hij vanaf juli 2004 een kamer heeft, meerdere malen via internet heeft doorgegeven aan de IB-Groep, maar dat de gegevens die hij via zijn Mijn IB-Groep account verstrekt vervolgens niet goed worden verwerkt.

Appellante heeft het bezwaar ongegrond verklaard, omdat betrokkene de discrepantie tussen het opgegeven woonadres en het GBA-adres niet binnen vier weken heeft opgeheven. De wijziging van het woonadres is eerst op 18 december 2004 ontvangen.

De rechtbank heeft het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit de gedingstukken blijkt dat betrokkene in elk geval tijdig heeft doorgegeven per 1 september 2004 uitwonend te zijn geworden. Uit het schrijven van 16 september 2004 dat betrokkene bij zijn beroepschrift aan de rechtbank heeft overgelegd blijkt volgens de rechtbank bovendien dat appellante op dat moment op de hoogte was van betrokkenes woonadres. Het verwijt, vervat in het schrijven van 12 oktober 2004, dat beide adressen niet overeenkomen, is kennelijk niet (alleen) te wijten aan het toedoen van betrokkene. Zijn woonadres was kennelijk bij appellante bekend en is om niet duidelijke redenen niet (volledig) in zijn dossier verwerkt. Onder deze omstandigheden doet zich naar het oordeel van de rechtbank de situatie als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, van de WSF 2000 niet voor en is er geen aanleiding over te gaan tot het opleggen van een sanctie als bedoeld in dat artikel.

De rechtbank heeft voorts ten overvloede overwogen dat artikel 1.5, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) wegens strijd met artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) buiten toepassing dient te blijven.

Appellante keert zich terecht tegen het oordeel van de rechtbank.

Uit de zich onder de gedingstukken bevindende prints blijkt dat betrokkene op

19 september 2004 via internet heeft doorgegeven dat hij per 1 september 2004 uitwonend is geworden. Hij heeft daarbij echter niet doorgegeven naar welk adres hij is verhuisd. Uit de brief van de IB-Groep van 16 september 2004 (waarbij aan betrokkene naar aanleiding van zijn aanmelding bij Mijn IB-Groep een wachtwoord en een wijzigingscode mobiel nummer is toegezonden) kan, anders dan de rechtbank heeft gedaan, niet worden afgeleid dat appellante op dat moment bekend was met het juiste woonadres van betrokkene. Die brief is immers niet geadresseerd aan het door betrokkene aan de IB-Groep doorgegeven woonadres, maar aan het adres waarop betrokkene op dat moment in de GBA stond ingeschreven.

De Raad ziet geen enkel aanknopingspunt om te kunnen aannemen dat betrokkene eerder dan bij e-mail van 18 december 2004 zijn woonadres in [woonplaats] aan de IB-Groep heeft doorgegeven. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat betrokkene de discrepantie tussen het GBA-adres en het opgegeven woonadres niet binnen de in de brief van

12 oktober 2004 gestelde termijn van vier weken heeft opgeheven.

Naar aanleiding van hetgeen de rechtbank ten overvloede heeft overwogen merkt de Raad op dat hij inmiddels in tal van hoger beroepen tegen uitspraken van de rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden als zijn oordeel te kennen heeft gegeven (bijvoorbeeld CRvB 02-12-2005, 05/2811, LJN: AU7521) dat omzettingsbesluiten als bedoeld in artikel 1.5, tweede lid van de Wsf 2000 een zuiver reparatoir karakter hebben, zodat buiten toepassing laten van dit wettelijk voorschrift wegens strijd met artikel 6 EVRM niet aan de orde is.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het inleidende beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.

Door de vernietiging van de aangevallen uitspraak ontvalt de grondslag aan het ter uitvoering van die uitspraak gegeven nadere besluit van 20 januari 2006. Daarom dient dat besluit te worden vernietigd.

Er zijn geen termen aanwezig voor vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Vernietigt het nadere besluit van 20 januari 2006;

Verklaart het inleidende beroep alsnog ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 september 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

Gw