Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8248

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-09-2006
Datum publicatie
15-09-2006
Zaaknummer
04-6342 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv mocht de aan appellant toegekende toeslag met terugwerkende kracht herzien naar een ongehuwdentoeslag. Terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/6342 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 5 november 2004, 04/430 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 2 augustus 2006. Appellant en het Uwv zijn, beide met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die sedert 4 september 2002 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Daarnaast ontving appellant een gehuwdentoeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) ter hoogte van € 16,64 per uitkeringsdag. Per 12 oktober 2002 is appellant in verband met een echtscheidingsprocedure verhuisd. Appellant heeft het Uwv via een “Formulier Opvragen gegevens” op 17 oktober 2002 van de gewijzigde gezinssituatie op de hoogte gebracht. Vervolgens heeft het Uwv hem aangemerkt als ongehuwd in de zin van artikel 1, derde lid, onder b, van de Toeslagenwet. Bij besluit van 7 februari 2003 heeft het Uwv de toeslag per 1 februari 2003 voorlopig beëindigd. Bij twee besluiten van

26 september 2003 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat de toeslag ingaande

12 oktober 2002 is vastgesteld op € 4,65 per uitkeringsdag, en dat een bedrag van

€ 1.060,53 bruto aan onverschuldigd betaalde toeslag van appellant wordt teruggevorderd. Het namens appellant tegen deze besluiten gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 29 april 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is zowel in bezwaar, in beroep als in hoger beroep onder verwijzing naar artikel 3 van de Bijlage bij de Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking van uitkeringen van 18 april 2000, Stcrt. 89, zoals gewijzigd bij de Regeling van 7 augustus 2003, Stcrt. 154, aangevoerd dat ten onrechte met terugwerkende kracht uitkering wordt teruggevorderd. Voorts heeft appellant onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 mei 2003, LJN: AF9307, gesteld dat het Uwv het fair play beginsel heeft geschonden, nu pas bijna een jaar nadat appellant de wijziging had doorgegeven tot terugvordering is overgegaan. Appellant meent dat het doorgeven van een wijziging in zekere zin ook een aanvraag is waarop tijdig en adequaat dient te worden gereageerd. Appellant acht zijn psychisch en financieel lijden een dringende reden om van terugvordering af te zien.

In hoger beroep heeft appellant bovendien immateriële schadevergoeding gevorderd op de grond dat hij zwaar gebukt gaat onder deze en andere procedures.

De Raad stelt vast dat, anders dan het Uwv in zijn verweerschrift aangeeft, gezien de beroepsgronden in hoger beroep niet alleen de terugvordering maar ook de herziening van de toeslag in geding is.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het Uwv de aan appellant toegekende toeslag met terugwerkende kracht mocht herzien naar een ongehuwdentoeslag. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zijn echtscheiding gevolgen zou hebben voor zijn recht op toeslag. De informatie die appellant bij de toekenning van de toeslag heeft ontvangen alsmede de tekst van het toekenningsbesluit van 26 juni 2002 maken dat voldoende duidelijk, terwijl voorts kan worden aangenomen dat appellant zich daarvan bewust was. Hij heeft immers terstond mededeling gedaan van de verandering in zijn leefsituatie. Nu appellant over de periode van 12 oktober 2002 tot 1 februari 2003 een gehuwdentoeslag heeft ontvangen, is over deze periode aan appellant onverschuldigd uitkering betaald.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de TW wordt de toeslag die onverschuldigd is betaald door het Uwv van degene die aanspraak maakt op die toeslag teruggevorderd. Ingevolge het vierde lid van artikel 20 van de TW kan het Uwv, indien daarvoor dringende redenen zijn, geheel of gedeeltelijk van terugvordering afzien.

De Raad stelt vast dat appellant de hoogte van het door het Uwv teruggevorderde bedrag aan onverschuldigd betaalde toeslag niet bestrijdt. Van een dringende reden om van terugvordering af te zien is de Raad niet gebleken. De omstandigheid dat het Uwv niet eerder dan in september 2003 tot terugvordering is overgegaan kan niet als dringende reden worden aangemerkt. In dat verband wijst de Raad op zijn vaste jurisprudentie waarin is vastgelegd dat de Raad geen ruimte ziet voor het aannemen van een dringende reden op de grond dat sprake is van schending van enig beginsel van behoorlijk bestuur. Deze jurisprudentie is onder meer terug te vinden in de uitspraak van de Raad van

2 augustus 2005, LJN: AU0911, waarbij voormelde uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage is vernietigd. Het vorenstaande betekent dat het bestreden besluit in stand kan blijven en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Het verzoek van appellant om vergoeding van immateriële schade wijst de Raad af, nu de primaire besluitvormingsfase niet zodanig traag is verlopen dat zou moeten worden gezegd dat het Uwv onzorgvuldig te werk is gegaan. Voorts is in dat verband van belang dat het Uwv reeds per 1 februari 2003 de uitbetaling van de toeslag heeft opgeschort, waardoor het terug te betalen bedrag niet onnodig hoog is opgelopen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en

M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op

13 september 2006.

(Get.) Ch. Van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.

MK