Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8174

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-09-2006
Datum publicatie
14-09-2006
Zaaknummer
04-5820 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen beëindiging dienstbetrekking.

Wetsverwijzingen
Ziektewet 29, geldigheid: 2006-09-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2006/307
RSV 2006, 324

Uitspraak

04/5820 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 september 2004, 03/436 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 13 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Mr. A.A. Kootstra, advocaat te Groningen, heeft namens betrokkene een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2006.

Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.G. Koch.

Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Kootstra.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene heeft, telkens op grond van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, van 1 september 2000 tot 1 september 2001 voor 28 uur per week en van 1 september 2001 tot 1 september 2002 voor 26 uur per week als medewerker communicatie gewerkt bij de [naam Stichting].

Op 1 september 2002 is betrokkene opnieuw voor bepaalde tijd, te weten voor de periode van 1 september 2002 tot 1 april 2003, in dezelfde functie in dienst getreden bij voormelde stichting. In de arbeidsovereenkomst is ten aanzien van de arbeidsduur opgenomen dat deze bij het aangaan van de overeenkomst 26 uur per week (zonder ADV) bedroeg en van

1 januari 2003 tot 1 april 2003 16 uur per week (zonder ADV).

Betrokkene heeft zich per 2 december 2002 bij het Uwv ziek gemeld.

Bij besluit van 16 januari 2003 is aan betrokkene meegedeeld dat zij terzake van die ziekmelding geen recht heeft op ziekengeld.

Bij besluit van 13 maart 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het primaire besluit onder verwijzing naar

artikel 29, tweede lid, onder c, van de Ziektewet (ZW) ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat betrokkene op grond van het Burgerlijk Wetboek aanspraak had op loon en dat zij per 1 januari 2003 niet in aanmerking kwam voor ziekengeld, omdat de dienstbetrekking met de [naam Stichting] ondanks de urenvermindering op die datum voortduurde.

De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en daarbij overwogen dat de strikte uitleg van artikel 29, tweede lid, onder c, van de ZW, zoals door het Uwv gehanteerd in dit bijzondere geval met zich brengt dat het ziekterisico en daarmede ook het verlies aan inkomen geheel ten laste komt van betrokkene. Naar het oordeel van de rechtbank treedt daarmee een niet door de wetgever voorzien en beoogd gevolg op. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de wetgever heeft beoogd een vangnetvoorziening te handhaven voor die groepen werknemers, die in een zuiver civielrechtelijk systeem onvoldoende tegen het ziekterisico beschermd zouden zijn.

Bij beroepschrift heeft appellant onder meer het volgende aangevoerd:

"In de kern komt het betoog van de rechtbank neer op een beroep op redelijke wetstoepassing, tegen de achtergrond van de door de rechtbank veronderstelde bedoeling van de wetgever. Wij vinden het betoog van de rechtbank niet overtuigend. Het moge zo zijn dat de wetgever zich bij de totstandkoming van Wulbz heeft gerealiseerd dat het privatiseren van de Ziektewet niet zonder problemen zou verlopen als niet voor bepaalde categorieën gevallen een publieke voorziening (een ‘vangnet’) zou worden gerealiseerd, daarmee is echter niet gezegd dat de wetgever een oplossing heeft willen bieden voor alle gevallen waarin een minder dan volledige dekking van het ziekterisico aan de orde zijn (lees: is). Zo heeft de wetgever een voorziening getroffen voor het geval dat de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever tijdens ziekte zou ophouden vanwege het einde van de dienstbetrekking, maar niet voor het geval dat de loondoorbetalingsverplichting in omvang zou verminderen door vermindering van het aantal uren waarin voorheen op grond van de arbeidsovereenkomst werd gewerkt. Op bladzijde 29 van de MvT (kamerstukken 24 439, nr. 3) betoogde de regering in verband met de noodzaak om een voorziening te treffen voor het gat dat zou ontstaan door het eindigen van een dienstbetrekking terwijl de werknemer ziek is: ‘Het volledig afschaffen van de Ziektewet zou voor deze groep werknemers een ernstig probleem betekenen. Het zou in strijd zijn met het uitgangspunt van een sociaal geconditioneerde privatisering indien de betrokken personen naar bijstandsniveau zouden moeten terugvallen, juist in een situatie waarin ze niet in staat zijn hun lot te verbeteren.’

Naar onze mening betekent dit dat de regering wel een voorziening heeft willen creëren voor zieke werknemers wier dienstbetrekking tijdens ziekte geheel eindigt, maar niet voor situaties als de onderhavige, waarin alleen sprake is van een vermindering van het aantal werkuren per week. Dat gedaagde, als zij niet in december 2002 ziek was geworden, met ingang van 1 januari 2003 vermoedelijk recht op uitkering ingevolge de Werkloosheidswet zou hebben gehad die zij nu vanwege haar niet-beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt misliep, brengt hierin naar onze mening geen verandering".

De Raad onderschrijft het standpunt van appellant en kan zich dus niet met het oordeel van de rechtbank verenigen.

De Raad stelt vast dat de arbeidsovereenkomst tussen betrokkene en voormelde stichting per 1 september 2002 is aangegaan voor een bepaalde periode en dat deze eindigde op 1 april 2003. De vermindering van de arbeidsduur per

1 januari 2003 van 26 naar 16 uur maakt onderdeel uit van deze arbeidsovereenkomst en kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezien als een gedeeltelijke beëindiging hiervan. In dit verband heeft appellant er terecht op gewezen dat betrokkene per 1 januari 2003 werkzaam bleef in dezelfde functie, te weten die van medewerker communicatie, en dat ook de honorering gebaseerd bleef op dezelfde salarisschaal. Behoudens de vermindering van de arbeidsduur is in de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2003 dus geen wijziging opgetreden. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad niet worden gesproken van een beëindiging van de dienstbetrekking per 1 januari 2003 als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onder c van de Ziektewet.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en dat het inleidend beroep ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 september 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.