Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8159

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-09-2006
Datum publicatie
14-09-2006
Zaaknummer
04-4290 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tweede aanvraag om WAO-uitkering ten onrechte aangemerkt als herhaalde aanvraag.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6, geldigheid: 2006-09-06
Algemene wet bestuursrecht 3:2, geldigheid: 2006-09-06
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 34a, geldigheid: 2006-09-06
Ziektewet 38a, geldigheid: 2006-09-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2006, 323

Uitspraak

04/4290 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 juni 2004, 02/2606 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Polderman, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 26 juli 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Polderman. Het Uwv is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, die toentertijd in detentie was, heeft op 4 januari 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeids- ongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevraagd. Na overleg met de toenmalige advocaat van appellant is het Uwv voor de eerste arbeidsongeschiktheidsdag uitgegaan van de datum van de aanvraag. Bij besluit van 2 februari 2000 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet behoorde tot de kring der verzekerden voor de WAO. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 15 september 2000 ongegrond verklaard. De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 16 augustus 2001 het beroep tegen het besluit van 15 september 2000 niet ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

Op 14 november 2001 heeft appellant wederom een aanvraag voor een WAO-uitkering ingediend, nu met terugwerkende kracht tot 4 februari 1997, zijnde de eerste ziektedag. Het Uwv heeft deze aanvraag aangemerkt als een herhaalde aanvraag en bij besluit van 30 januari 2002 de aanvraag met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen. Na bezwaar is de afwijzing van de aanvraag bij besluit van 21 oktober 2002 (hierna: het bestreden besluit) gehandhaafd, maar nu op de grond dat appellant niet heeft voldaan aan twee formele vereisten om in aanmerking te komen voor een WAO-uitkering, te weten een ziekmelding binnen 2 dagen na 4 februari 1997 en het indienen van een aanvraag binnen 9 maanden na de aanvang van de arbeidsonge-schiktheid.

In eerste aanleg heeft het Uwv in zijn verweerschrift primair de grondslag van het bestreden besluit gehandhaafd en subsidiair artikel 4:6 van de Awb gesteld. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat geen sprake is van nova en dat het Uwv terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

Appellant meent dat wel sprake is van nova. Appellant stelt dat hij pas ten tijde van de tweede aanvraag in staat was de juiste eerste ziektedag aan te geven. Bij de behandeling van de eerste aanvraag heeft zijn toenmalige advocaat het Uwv meegedeeld dat maar van een jaar voor de datum van de aanvraag moest worden uitgegaan. Ter onderbouwing van zijn claim heeft appellant onder meer een rapport van het Penitentiair Complex Scheveningen van 28 december 1999 ingezonden.

De Raad is van oordeel dat afwijzing van de tweede aanvraag met een beroep op artikel 4:6 van de Awb niet aan de orde is. De tweede aanvraag is geen herhaalde aanvraag maar een nieuwe aanvraag. Immers de tweede aanvraag heeft betrekking op een veel eerder gelegen eerste arbeidsongeschiktheidsdag die nog niet door het Uwv was beoordeeld. De situatie van artikel 4:6 van de Awb deed zich hier dan ook niet voor. Reeds daarom kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven.

Voorts stelt de Raad vast dat de nieuwe aanvraag inhoudt het verzoek om toekenning van een WAO-uitkering met terugwerkende kracht. Een dergelijke aanvraag kan niet worden afgewezen met een beroep op de formele criteria van de artikelen 38a van de Ziektewet en 34a van de WAO. Immers, aan de in die bepalingen genoemde criteria kan een belanghebbende, die claimt dat hem pas recent duidelijk is geworden dat hij op een tijdstip in het verleden arbeidsongeschikt is geworden, nooit meer voldoen. Bovendien zou, indien de benadering van het Uwv zou worden gevolgd, artikel 35 van de WAO, dat is opgesteld ten behoeve van de beoordeling van aanvragen met terugwerkende kracht, zinledig zijn. In geval van een aanvraag met terugwerkende kracht dient het Uwv door medisch en arbeidskundig onderzoek vast te stellen of de betrokkene op de door hem gestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag in relevante mate arbeidsongeschikt was. Vervolgens wordt voor de bepaling van de ingangsdatum van de WAO-uitkering toepassing gegeven aan artikel 35 van de WAO, waarbij dan tevens aan de orde kan komen of appellant niet in staat was de aanvraag eerder in te dienen. Nu voormeld onderzoek niet heeft plaatsgehad, heeft het Uwv de aanvraag van appellant niet adequaat behandeld. Gelet daarop dient het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 131,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 september 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.