Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8132

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-09-2006
Datum publicatie
13-09-2006
Zaaknummer
05-1046 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is het tegen het besluit gerichte bezwaarschrift buiten de bezwaartermijn ingediend, terwijl geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding? Bevoegdheid tot terugvordering hetgeen onverschuldigd is betaald.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2006-09-07
Algemene wet bestuursrecht 6:11, geldigheid: 2006-09-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/191

Uitspraak

05/1046 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 januari 2005, 03/5426 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën, thans de Minister van Financiën, (hierna: minister)

Datum uitspraak: 7 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J. Vis, werkzaam bij ABVAKABO FNV, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vis. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door L.P. de Jonge, werkzaam bij het ministerie van Financiën.

II. OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk ten name van de Staatssecretaris van Financiën is gevoerd, is, in verband met de wijziging van taken blijkend uit het besluit van 7 juli 2006 tot ontslag aan die staatssecretaris (Stcrt. 2006, 132), voortgezet ten name van de Minister van Financiën. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de minister wordt daaronder tot 7 juli 2006 (mede) verstaan de Staatssecretaris van Financiën.

2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Aan appellant, als ambtenaar van de Belastingdienst werkzaam bij de Directie Douane Rotterdam, is per 1 augustus 2000 buitengewoon verlof verleend, met behoud van bezoldiging, in verband met uitzending naar St. Lucia. Bij besluit van

20 juni 2000 is aan appellant in verband met die uitzending, ten titel van aanloopvoorschot, een bedrag van f. 20.000,-

(€ 9.057,61) toegekend. Tevens is meegedeeld dat dit bedrag met ingang van augustus 2000 in 20 maandelijkse termijnen van f. 1.000,- met het salaris zal worden verrekend. Gedurende de maanden augustus 2000 tot en met april 2002 is een bedrag van in totaal f. 20.000,- (€ 9.057,61) met het salaris van appellant verrekend.

2.2. Bij brief van 30 juni 2003 is namens het hoofd van het Facilitair Salarisbedrijf van het ministerie van Financiën aan appellant meegedeeld dat bij controle is gebleken dat aan hem in de maanden juli en augustus 2000 twee maal het bedrag van f. 20.000,- (€ 9.057,61) betaalbaar is gesteld, hetgeen betekent dat er nog een bedrag van f. 20.000,- (€ 9.057,61) dient te worden verrekend. In deze brief is voorts het voornemen bekend-gemaakt de verrekening te doen geschieden in

18 termijnen van € 500,- en in één termijn van € 75,61, te beginnen met de salarisbetaling over de maand augustus 2003.

2.3. Bij besluit op bezwaar van 14 november 2003 (hierna: bestreden besluit) is namens de minister het tegen de brief van 30 juni 2003 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De minister heeft geoordeeld dat in bedoelde brief, anders dan appellant heeft betoogd, wel sprake is van een besluit, nu er geen misverstand over kan bestaan dat wordt teruggevorderd. Slechts ten aanzien van de wijze van terugvordering was sprake van een voornemen. Volgens de minister is het tegen het besluit gerichte bezwaarschrift buiten de bezwaartermijn ingediend, terwijl geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat de brief van 30 juni 2003 een op zelfstandig rechtsgevolg gericht besluit bevat in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waar het betreft de terugvordering van een bedrag van

f. 20.000,- (€ 9.057,61). De omstandigheid dat in diezelfde brief vervolgens een voornemen bekend is gemaakt met betrekking tot de wijze waarop zal worden verrekend en dat daarbij aan appellant de mogelijkheid is gegeven niet akkoord te gaan met de voorgestelde wijze van verrekenen, doet, anders dan appellant heeft betoogd, aan het voornoemde besluitkarakter van de brief van 30 juni 2003 niet af.

De niet aangetekende verzending van een besluit, het ontbreken van een rechtsmiddelen-verwijzing daarin en de eventuele onbevoegdheid van de ondertekenaar tast volgens vaste jurisprudentie van de Raad het besluitkarakter niet aan.

4.2. In hoger beroep is tussen partijen niet in geschil en ook de Raad gaat ervan uit dat appellant het besluit van 30 juni 2003 eerst op 5 augustus 2003 daadwerkelijk heeft ontvangen en dat de termijn waarbinnen nog bezwaar kon worden gemaakt eindigde op 11 augustus 2003. Partijen worden verdeeld gehouden door de vraag of de indiening van het bezwaarschrift van appellant op 14 augustus 2003, derhalve na afloop van die bezwaartermijn, verschoonbaar is te achten.

De Raad is van oordeel dat, aangezien de betrokkene na de ontvangst van een besluit een zekere termijn moet worden gegund om daartegen bezwaar te maken en gelet op de omstandigheden van dit geval, redelijkerwijs moet worden geoordeeld dat de termijn-overschrijding verschoonbaar is in de zin van artikel 6:11 van de Awb. Daartoe rekent de Raad de omstandigheid dat verzuimd was onder het besluit van 30 juni 2003 een bezwaarclausule op te nemen, waardoor het besluitkarakter van de brief zich niet aanstonds openbaarde. Voorts neemt de Raad in aanmerking dat appellant enige tijd heeft moeten gebruiken om vanuit het ver weg gelegen St. Lucia na te gaan hoe het nu precies met de onderhavige betalingen was gegaan. De Raad oordeelt dan ook dat appellant het bezwaarschrift onder de gegeven omstandigheden heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs van hem kon worden verwacht.

4.3. Hieruit volgt dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte in stand heeft gelaten, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, evenals het bestreden besluit.

5. Nu partijen in hoger beroep ook hun standpunten ten gronde hebben weergegeven en uit een oogpunt van proceseconomie hebben ingestemd met finale afdoening van het geschil door de Raad, ziet de Raad voorts aanleiding een inhoudelijk oordeel te geven omtrent de bezwaren van appellant tegen het besluit van 30 juni 2003. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat de minister dit besluit voor zijn rekening heeft genomen, zodat het geacht moet worden te zijn genomen door de minister.

5.1. De Raad stelt voorop dat in een geval als het onderhavige waarin geen uitdrukkelijke bevoegdheid bestaat om terug te vorderen hetgeen onverschuldigd is betaald, die bevoegdheid kan worden gebaseerd op een desbetreffend algemeen rechtsbeginsel.

Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad brengt zowel het beginsel van de rechtszeker-heid als het beginsel van een evenwichtige afweging van belangen mee, dat een bestuursorgaan in een situatie, waarin de ambtenaar wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij teveel ontving in beginsel gedurende twee jaren na de dag van uitbetaling kan terugvorderen. Deze termijn kan tot vijf jaren worden verlengd indien de gemaakte fout door toedoen van de betrokkene is ontstaan.

5.2. Voor de Raad staat vast, gelet ook op de in het besluit van 20 juni 2000 gehanteerde terminologie, dat de betaling aan appellant van f. 20.000,-, waartoe was besloten, als voorschot op het te betalen salaris moeten worden aangemerkt. Appellant heeft ook niet betwist dat het hem van meet af aan duidelijk was dat het verleende voorschot moest worden terugbetaald door middel van verrekening met het salaris.

5.3. De Raad is van oordeel dat appellant zich er niet op kan beroepen dat hij tot de datum van het terugvorderingsbesluit niet heeft geweten dat het bedrag van f. 20.000,- abusievelijk een tweede keer aan hem was uitbetaald. De omstandigheid dat appellant, zoals ter zitting nog gesteld, het beheer van zijn financiële administratie tijdens zijn verblijf op St. Lucia in handen van zijn in Nederland wonende moeder had gegeven, waardoor hij eerst na ontvangst van de onder 2.2. genoemde brief van 30 juni 2003 bekend is geworden met de dubbele betaling kan, wat er ook zij van die stelling, aan dat oordeel niet afdoen, aangezien appellant zelf verantwoordelijk moet worden gehouden voor de wijze waarop hij zijn financiële administratie beheert of laat beheren, zodat nadelige consequenties van het niet op adequate wijze (laten) beheren van zijn financiële administratie voor appellants rekening dienen te komen.

5.4. Niet in geschil is dat de tweede betaling van f. 20.000,-, die onder dezelfde noemer werd gedaan als de eerste voorschotbetaling van f. 20.000,-, onverschuldigd aan appellant is betaald, zodat de minister in beginsel bevoegd was om, na de eerste betaling, ook dit bedrag nog van appellant terug te vorderen en met het salaris te verrekenen.

5.5. De Raad ziet in hetgeen door appellant is aangevoerd omtrent het tijdsverloop van meer dan twee jaar tussen de onverschuldigde betaling en het terugvorderingsbesluit geen grond voor het oordeel dat de minister in redelijkheid van zijn terugvorderingsbevoegd-heid geen gebruik meer mocht maken. Gelet op het voorschotkarakter van de desbetref-fende betaling, waarbij reeds vanaf de ontvangst daarvan aan appellant bekend heeft moeten zijn dat dit door middel van maandelijkse verrekeningen met zijn bezoldiging zou worden terugbetaald en dit bedrag ook onder deze voorwaarde met zijn instemming aan hem is uitbetaald, kan appellant redelijkerwijs niet door tijdsverloop in de verwachting hebben verkeerd dat de minister mogelijk niet tot terugvordering van dit bedrag zou overgaan. Onder deze omstandigheden verzetten naar het oordeel van de Raad de hiervoor in rechtsoverweging 5.1. genoemde beginselen van rechtszekerheid en evenwichtige belangenafweging zich niet tegen de uitoefening door de minister van zijn terugvorderingsbevoegdheid.

5.6. Gelet hierop ziet de Raad aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het door appellant tegen het besluit van 30 juni 2003 gemaakte bezwaar ongegrond te verklaren. Gezien deze ongegrondverklaring van appellants bezwaren is er geen grond aanwezig voor een vergoeding van schade als door appellant gevorderd.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de minister op grond van artikel 8:75 van de Abw te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, wegens verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 14 november 2003;

Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 30 juni 2003 ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

Wijst het verzoek om toekenning van schadevergoeding af;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.288,- te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 321,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 september 2006.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.J.W. Loots.

Q.