Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8131

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-09-2006
Datum publicatie
13-09-2006
Zaaknummer
05-2542 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is gelet op de aard en omvang van het plichtsverzuim de opgelegde disciplinaire straf van vermindering van het vakantietegoed met 16 uur daaraan niet onevenredig te achten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2542 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 25 maart 2005, 04/635 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Financiën, thans de Minister van Financiën (hierna: de Minister)

Datum uitspraak: 7 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J. Choufoer-van der Wel, werkzaam bij het advocatenkantoor Dijkgraaf te ’s-Gravenhage. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.B. Honders, advocaat te Apeldoorn, en H. Siemens, werkzaam bij de Belastingdienst.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is werkzaam bij de Belastingdienst te Leeuwarden. Op 5 augustus 2003 is door haar leidinggevende een rapport opgemaakt waarin hij heeft neergelegd dat appellante in de periode van 17 juli 2003 tot en met 1 augustus 2003 op vijf dagen minder uren gewerkt had dan zij in het elektronische werktijdregistratiesysteem (SAP) had laten registreren. Nadat appellante de gelegenheid was gegeven zich hieromtrent te verantwoor-den, heeft de Minister bij besluit van 5 november 2003 aan appellante de disciplinaire straf opgelegd van vermindering van haar vakantie-uren met 16 uur. Daarbij heeft de Minister appellante een onregelmatigheid in de tijdregistratie verweten op 18 juli, 23 juli, 25 juli en 1 augustus 2003.

1.2. Bij het bestreden besluit van 6 mei 2004 heeft de Minister het door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak vastgesteld dat appellante op een viertal dagen niet op haar werkplek aanwezig is geweest op tijdstippen, waarop zij volgens haar eigen werktijdregistratie zou hebben gewerkt, waardoor appellante zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. De opgelegde straf heeft de rechtbank niet onevenredig aan dit plichtsverzuim geacht.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

3.1. De Raad stelt vast dat ingevolge artikel 80, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) de ambtenaar die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair kan worden gestraft. Ingevolge het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets wat een goed ambtenaar behoort na te laten of te doen.

Volgens vaste jurisprudentie is voor de vaststelling of van plichtsverzuim sprake is, voldoende dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt.

3.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellantes grief betreffende het gebruik van de gegevens van haar key-card geen bespreking behoeft, omdat de Minister blijkens de beslissing op het bezwaar bij zijn heroverweging de key-cardgegevens buiten beschouwing heeft gelaten.

3.3. Appellante heeft erkend dat zij met betrekking tot de door haar gewerkte uren op 25 juli 2003 en 1 augustus 2003 onjuiste boekingen in het SAP-systeem heeft verricht.

Appellante heeft deze beide boekingen weliswaar hersteld, maar dit deed zij pas nadat zij door haar leidinggevende op de onjuistheid van haar handelen was gewezen.

3.4. Voorts staat volgens de Raad eveneens voldoende vast dat appellante ook op 18 juli 2003 en op 23 juli 2003 minder uren gewerkt heeft dan door haar in het SAP-systeem zijn geregistreerd. Wat deze eerste datum betreft is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellante zich hiervoor niet kan beroepen op een afspraak met haar vroegere leiding-gevende

[naam leidinggevende], dat zij buiten de werktijdregistratie om (destijds op bij te houden verlofkaarten) zelfstandig meer en minder dan normaal in een week gewerkte uren met elkaar mocht verrekenen. In de schriftelijke verklaring van [naam leidinggevende], die zich onder de gedingstukken bevindt, komt weliswaar naar voren dat een dergelijke afspraak een aantal jaren geleden voor een bijzondere situatie tijdens een vakantieperiode is gemaakt, doch deze biedt geen steun voor de stelling dat het hier een algemene afspraak voor onbepaalde tijd betreft. In elk geval had appellante moeten beseffen dat zij na invoering van het elektronische werktijdregistratiesysteem die werkwijze niet zou mogen voortzetten, en zeker niet zonder haar leidinggevende daar verder in te kennen. Zoals door de Minister terecht is gesteld, is het na invoering van het SAP-systeem, waarbij anders dan in het geval van verlofkaarten niet uitsluitend het genoten verlof, maar ook de gewerkte tijd wordt bijgehouden, volstrekt overbodig voor het verrekenen van meer en minder gewerkte uren daarnaast nog een eigen administratie bij te houden.

Evenmin als de rechtbank acht de Raad de verklaring van appellante geloofwaardig dat haar leidinggevende ten onrechte op bepaalde tijden heeft vastgesteld dat zij afwezig was, omdat zij op die tijden werkzaamheden verrichtte op een andere dan haar eigen werkplek, waar zij niet is gezien.

3.5. Door onjuiste gegevens in te voeren in het werktijdregistratiesysteem, dan wel minder werkuren te maken dan die door haar tevoren in dat systeem zijn ingevoerd en dit niet of niet tijdig te corrigeren, is geen sprake geweest van een correcte werktijdregistratie en heeft appellante zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

3.6. De Raad merkt nog op dat de Minister niet verplicht was om alvorens tot het opleggen van de straf over te gaan appellante te waarschuwen en haar de kans te geven voor de toekomst een correcte tijdregistratie te gaan voeren. In zoverre acht de Raad het besluit ook niet in strijd met de in acht te nemen zorgvuldigheid. Of appellante in het verleden ooit door een leidinggevende is aangesproken op haar wijze van werktijd-registratie, over welk punt partijen twisten, kan daarom onbesproken blijven.

4. De Raad is mede gelet op de aard en omvang van het plichtsverzuim van oordeel dat de opgelegde disciplinaire straf van vermindering van het vakantietegoed met 16 uur daaraan niet onevenredig is te achten. De aangevallen uitspraak kan derhalve in stand blijven.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 september 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) O.C. Boute.