Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8120

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-09-2006
Datum publicatie
13-09-2006
Zaaknummer
05-306 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het verrichten van werkzaamheden anders dan op grond van ziekten of gebreken. Uitspraak rechtbank was in kracht van gewijsde gegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/306 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 24 december 2004, 03/328, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 7 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens het College is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2006. Appellant is in persoon verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Burger, verbonden aan CAPRA, en S. Vermeer, werkzaam bij de gemeente Dordrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sedert 1986 in dienst van de gemeente Dordrecht, laatstelijk in de (samengestelde) functie van secretaris [afdeling 1] en [afdeling 2]. Bij besluit van 23 mei 2001, gehandhaafd bij besluit van 13 september 2001, is appellant op grond van artikel 8:6, eerste lid, van de Basisregeling Arbeidsvoorwaarden gemeente Dordrecht, met ingang van 1 juni 2001 ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het verrichten van zijn werkzaamheden anders dan op grond van ziekten of gebreken. Appellant heeft tegen het besluit van 13 september 2001 beroep ingesteld.

1.2. In de daarop gedane uitspraak van 14 februari 2003, 01/1011, heeft de rechtbank Dordrecht geoordeeld dat de beroepsgronden van appellant betrekking hebben op zijn functionele ongeschiktheid en op de tussen partijen ontstane situatie die volgens appellant geheel te wijten is aan de wijze waarop het College heeft gehandeld in het kader van de totstandkoming van de verleende bouwvergunningen voor de bouw van acht woningen aan de [straat 1] / [straat 2] en de handelwijze van het College nadien ten opzichte van appellant. De rechtbank was van oordeel dat die gronden geen doel konden treffen en er voldoende aanknopingspunten waren om te concluderen dat bij appellant sprake was van ongeschiktheid voor het verrichten van zijn werkzaam-heden anders dan op grond van ziekten of gebreken.

1.3. De rechtbank heeft het besluit van 13 september 2001 desalniettemin vernietigd, omdat naar haar oordeel het College niet in redelijkheid de ontslagdatum van 1 juni 2001 kon handhaven nu het College de eigen afspraken om appellant naar ander werk te begeleiden niet was nagekomen. Volgens de rechtbank zou de ontslagdatum van 1 september 2001 waarschijnlijk wel de rechterlijke toetsing kunnen doorstaan nu appellant met medewerking van het College per die datum de functie van secretaris van de welstandscommissie van de gemeente Breda was gaan vervullen.

1.4. Zowel appellant als het College hebben tegen de uitspraak van 14 februari 2003 hoger beroep ingesteld. Bij schrijven van 2 juni 2003 respectievelijk 26 juni 2003 hebben partijen hun hoger beroep tegen die uitspraak ingetrokken.

1.5. Naar aanleiding van de onder 1.2. genoemde uitspraak van de rechtbank Dordrecht heeft het College het thans bestreden besluit van 20 maart 2003 genomen waarbij het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 mei 2001 opnieuw ongegrond is verklaard en de datum van ontslag is gewijzigd in 1 september 2001.

1.6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 20 maart 2003 ongegrond verklaard.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat beide partijen het hoger beroep tegen haar uitspraak van 14 februari 2003 hebben ingetrokken, die uitspraak daardoor in kracht van gewijsde is gegaan en de rechtbank dus dient uit te gaan van de juistheid van de in die uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven over-wegingen. Vervolgens heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat de grieven van appellant ter zake van zijn onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het vervullen van zijn werkzaamheden dan ook geen doel meer kunnen treffen en dat slechts aan de orde kan zijn of de ingangsdatum van het ontslag per 1 september 2001 kennelijk onredelijk moet worden geacht. De rechtbank oordeelde dat dit niet het geval was nu het College enkele maatregelen ter compensatie voor het ontslag had getroffen en appellant per 1 september 2001 bij de gemeente Breda in dienst was getreden.

2.2. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat het in kracht van gewijsde zijn gegaan van de eerdere uitspraak van de rechtbank tot gevolg heeft dat, wanneer in beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar beroepsgronden worden aangevoerd die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan.

2.3. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geding nog slechts de ontslagdatum van

1 september 2001 aan de orde kan komen. Aangezien appellant hiertegen geen wezenlijke gronden heeft aangevoerd en de Raad in al hetgeen appellant heeft betoogd ook overigens geen aanknopingspunten heeft gevonden om die ontslagdatum onhoudbaar te achten, kan het hoger beroep niet slagen en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

3. Tot slot acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 september 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) O.C. Boute.