Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8035

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-09-2006
Datum publicatie
12-09-2006
Zaaknummer
04/1828 WAO, 05/182 WAO, 06/3323 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet menemen nader besluit op grond van art. 6:19 Awb. Met nader besluit is geheel aan betrokkene tegemoetgekomen. Hoger beroep wordt wegens ontbreken belang niet-ontvankelijk verklaard. Schadevergoeding; Gemaakte kosten in bezwaar en in beroep.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:19, geldigheid: 2006-09-06
Algemene wet bestuursrecht 7:15, geldigheid: 2006-09-06
Algemene wet bestuursrecht 8:73, geldigheid: 2006-09-06
Besluit proceskosten bestuursrecht 1a, geldigheid: 2006-09-06
Besluit proceskosten bestuursrecht 1b, geldigheid: 2006-09-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/1828 WAO, 05/182 WAO, 06/3323 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 maart 2004, 03/455 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2006. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Het beroep van appellante is gericht tegen het besluit op bezwaar van 27 januari 2003 (hierna: besluit 1), waarbij het Uwv het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit van 5 september 2002 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit had het Uwv aan appellante met ingang van 9 april 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), besluit 1 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van het in de uitspraak overwogene, met beslissingen over griffierecht en proceskosten.

Bij besluit op bezwaar van 2 december 2004 (hierna: besluit 2) heeft het Uwv na een arbeidskundige heroverweging bepaald dat de WAO-uitkering onveranderd gebaseerd blijft op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Tevens heeft het Uwv de WAO-uitkering met ingang van 30 december 2004 ingetrokken. Nu besluit 2 niet geheel aan appellantes beroep tegemoet komt, wordt op de voet van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2.

Nadat het Uwv enkele door de Raad gestelde vragen had beantwoord, heeft het Uwv de Raad bericht dat zijn standpunt is gewijzigd en een nieuw besluit op bezwaar van 25 april 2006 (hierna: besluit 3) ingezonden. Bij besluit 3 heeft het Uwv besluit 2 ingetrokken en de mate van arbeidsongeschiktheid per 9 april 2002 vastgesteld op 80 tot 100%. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv bevestigd dat het Uwv ook de intrekking van de uitkering per 30 december 2004 niet handhaaft.

Bij besluit 3 heeft het Uwv tevens een besluit genomen over het verzoek van appellante om vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 5 september 2002. Besloten is € 644,- te vergoeden voor het bezwaarschrift en de hoorzitting. Geen vergoeding is toegekend voor de kosten van de arbeidsdeskundige G.J. van Assen en de neuroloog J.C.B. Verhey, omdat deze kosten werden gemaakt in het kader van een beroepsprocedure. De kosten voor de inschakeling van Instituut Psychosofia (hierna: IP) zijn evenmin voor vergoeding in aanmerking gebracht. Het Uwv overweegt dat de relevante arbeidsbeperkingen op de in de reguliere geneeskunde gebruikelijke wijze dienen te worden vastgesteld en dat de door IP gebruikte onderzoeksmethoden voor het vaststellen van arbeidsbeperkingen geen toereikend instrumentarium vormen. Bovendien heeft de Centrale Raad van Beroep als zijn oordeel te kennen gegeven dat deze rapporten geen “medische” rapporten zijn, dat mevrouw Verhage van IP als medische leek moet worden aangemerkt en dat deze rapporten niet afkomstig zijn van een deskundige als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Het Uwv heeft voorts besloten het griffierecht te vergoeden, na de uitspraak van deze Raad.

Appellante heeft naar aanleiding van besluit 3 te kennen gegeven tegen de uitkomst, namelijk de berekening van de WAO-uitkering per 9 april 2002 naar 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid, geen bezwaar te hebben, maar de beweegredenen van het besluit niet geheel duidelijk te vinden. Zij stelt dat zij nog steeds een belang bij vaststelling van een goede en correcte medische grondslag heeft, nu deze weer de basis vormt voor toekomstige beoordelingen.

Met betrekking tot de proceskostenvergoeding betwist appellante hetgeen het Uwv heeft opgemerkt over de positie van mevrouw Verhage van IP als deskundige in de zin van het Bpb. Daarbij verwijst appellante naar de uitspraken van deze Raad van 13 april 2005, LJN: AT4323, en van 13 juli 2005, LJN: AT9828. Appellante verzoekt de Raad het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de kosten terzake van de rapportages van mevrouw Verhage van IP, de arbeidsdeskundige Van Assen, de neuroloog Verhey en de orthopedisch chirurg O. Schreuder. Gezien de gebreken in de besluitvorming verzoekt zij de Raad bovendien om toepassing te geven aan artikel 2, derde lid, van het Bpb.

Het Uwv stelt daar tegenover dat de Raad in zijn uitspraak van 28 april 2006, LJN: AW8205, heeft herhaald dat de door IP uitgebrachte rapporten niet afkomstig zijn van een (medisch) deskundige als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb. Voor toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb ziet het Uwv geen grond nu geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in die bepaling. Tot slot is het Uwv van mening dat er geen processueel belang meer is bij een voortzetting van de medische discussie, nu op arbeidskundige gronden reeds 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid wordt aangenomen. Er kan hier niet een ander, beter materieel resultaat worden behaald. Gewezen wordt op de uitspraak van de Raad van 12 juli 2005, LJN: AT9491, waarin is uitgesproken dat wanneer in een procedure het maximaal haalbare resultaat - zijnde een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering - is bereikt, er geen rechtstreeks op de WAO terug te voeren procesbelang meer aanwezig is.

De Raad is van oordeel dat besluit 3 geheel aan appellantes beroep tegemoet komt in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, nu met dit besluit het maximaal haalbare resultaat, namelijk een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% per de datum in geding, is bereikt. Dat appellante het niet eens is met de medische grondslag van besluit 3 doet daar niet aan af. Bij een toekomstig besluit over de arbeidsongeschiktheid van appellante kan zij immers de medische grondslag waarop dat besluit berust in volle omvang aanvechten. De Raad acht het beroep van appellante dan ook niet mede gericht tegen besluit 3.

Nu het Uwv besluit 1 niet langer handhaaft, heeft appellante geen belang meer bij een uitspraak van de Raad over de aangevallen uitspraak. De Raad zal het hoger beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

Nu het Uwv besluit 2 niet langer handhaaft en nu appellante heeft verzocht om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb, heeft appellante belang bij gegrondverklaring van het beroep, dat mede gericht wordt geacht tegen besluit 2, zodat de Raad daartoe zal overgaan.

In de lijn van zijn rechtspraak met betrekking tot aanspraak op wettelijke rente als schadevergoeding ingevolge artikel 8:73 van de Awb in het geval van toekenningsbesluiten overweegt de Raad dat de vergoeding van die rente wordt beperkt tot het tijdvak dat aanvangt op de eerste dag van de maand volgende op de maand waarin de datum van het eerste onrechtmatig gebleken toekenningsbesluit is gelegen - in dit geval is die datum: 1 oktober 2002 - en eindigt op de dag waarop de achterstallige WAO-uitkering alsnog geheel is nabetaald. Daarbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

Nu appellante tijdig heeft verzocht om een proceskostenvergoeding op grond van artikel 7:15 van de Awb, acht de Raad het aangewezen in zoverre met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit te herroepen wegens aan het Uwv te wijten onrechtmatigheid. De Raad zal het Uwv veroordelen in de kosten voor verleende rechtsbijstand in bezwaar. Deze kosten worden begroot op € 644,-.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- + € 161,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Wat betreft het verzoek om vergoeding van de kosten van de eigen bijdrage wijst de Raad erop dat deze vergoeding niet is voorzien in het Bpb.

Met betrekking tot de proceskostenveroordeling overweegt de Raad voorts dat appellante de Raad tevens heeft verzocht om vergoeding van de kosten van de ingebrachte rapporten van IP ad € 1.632,94, van de kosten van de behandelend neuroloog Verhey, van de kosten van de rapportage van de orthopedisch chirurg Schreuder ad € 162,46, en van de kosten van de arbeidsdeskundige Van Assen ad € 124,-.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 13 april 2005, LJN: AT4323, en op grond van dezelfde overwegingen als in die uitspraak gegeven stelt de Raad vast dat ook in dit geval geldt dat de rapporten van IP niet zijn aan te merken als rapporten van een deskundige in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb. Evenmin vallen deze rapporten onder artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb. De met het uitbrengen van die rapporten gemoeide kosten komen dan ook niet voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van de Awb in aanmerking. Nu de kosten van Verhey niet nader zijn gespecificeerd terwijl daarvan ook geen nota is overgelegd, wijst de Raad het verzoek om vergoeding daarvan af. De kosten van Schreuder en Van Assen komen voor toewijzing in aanmerking.

Voor toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb ziet de Raad geen grond, nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden als daar bedoeld.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Herroept het primaire besluit van 5 september 2002;

Verklaart het beroep dat mede gericht wordt geacht tegen besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in bezwaar tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 769,46,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 102,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en

M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op

6 september 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.

GdJ