Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8022

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-09-2006
Datum publicatie
12-09-2006
Zaaknummer
04-4016 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO-uitkering. Geschiktheid geselecteerde functies. Vastgestelde belastbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/4016 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2004, 02/5194 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2006. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma.

II. OVERWEGINGEN

Bij brief van 25 juli 2006, bij de Raad binnengekomen op 27 juli 2006, heeft mr. E. van Voolen, advocaat te Utrecht, gemeld door de broer van appellant verzocht te zijn als gemachtigde op te treden. Daarbij heeft mr. van Voolen verzocht om aanhouding teneinde zich op de zaak te kunnen voorbereiden. De Raad heeft geen aanleiding gezien dit verzoek te honoreren nu dit verzoek een dag voor zitting is ingediend en appellant ruim de tijd heeft gehad zich veel eerder van rechtskundige bijstand te voorzien.

Bij besluit van 4 januari 2001 heeft het Uwv appellant medegedeeld dat zijn uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 9 juli 2001 werd ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedroeg. Dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 22 oktober 2002 in stand gelaten.

Teneinde de medische beperkingen van appellant vast te kunnen stellen is appellant onderzocht door H.W.J. Lubberding, psychiater te Amsterdam en K.H. Teng, internist te Amsterdam. De verzekeringsarts J. Biersteker heeft, mede naar aanleiding van de bevindingen van genoemde deskundigen, een belastbaarheidspatroon opgesteld, waarna arbeidsdeskundige J. Zoetelief een aantal functies heeft geselecteerd die als passend voor appellant zijn aangemerkt. Vergelijking van het maatmaninkomen met de mediane loonwaarde van de bij de schatting gebruikte functies levert geen relevant verlies aan verdienvermogen meer op.

De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan.

Ook de Raad ziet geen aanleiding tot het oordeel te komen dat het Uwv de medische beperkingen van appellant op de datum in geding heeft onderschat. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de internist Teng appellant geschikt acht voor een volledige dagtaak zonder beperkingen en psychiater Lubberding weliswaar spreekt van een aanpassingsstoornis met depressieve stemming, maar zich niet uitlaat over de arbeidsmogelijkheden van appellant. Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek naar de medische beperkingen van appellant voldoende zorgvuldig geweest en kon het Uwv uit de beschikbare medische gegevens de conclusie trekken dat appellant belastbaar was met arbeid. Aan de schatting zijn voorts functies ten grondslag gelegd waarvan in voldoende mate is aangetoond dat deze representatief zijn voor de datum in geding en waarvan de Raad geen redenen heeft aan te nemen dat de functies niet voor appellant geschikt zijn.

Derhalve komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

Voor een kostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 september 2006.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) J.J.B. van der Putten.