Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY7821

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-09-2006
Datum publicatie
08-09-2006
Zaaknummer
04-5533 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om vergoeding van proceskosten in de bezwaarfase. Zelf voorzien.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5533 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 september 2004, 04/3237 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2006. Appellante is niet verschenen.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was fulltime werkzaam als financieel administratief medewerkster. Op

2 april 2003 is zij in het ziekenhuis opgenomen met hoge bloeddruk en zwangerschapstoxicose. Op 4 april 2003 is zij bevallen. Na afloop van het bevallingsverlof heeft zij zich met ingang van 5 juli 2003 ziek gemeld met diverse klachten. De verzekeringsarts P.C. Lafeber heeft appellante op 22 juli 2003 met ingang van 23 juli 2003 arbeidsgeschikt verklaard, nadat hij bij psychisch en lichamelijk onderzoek geen afwijkingen had gevonden. Bij besluit van 28 juli 2003 heeft het Uwv appellante verdere uitkering van ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd op grond van de overweging dat haar belastbaarheid valt binnen de belasting die bij haar werk hoort. De bezwaarver-zekeringsarts J. van der Stoep is in zijn rapport van 29 oktober 2003 tot de conclusie gekomen dat er geen medische argumenten waren om af te wijken van het medisch oordeel van de verzekeringsarts. Bij besluit op bezwaar van

31 oktober 2003 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft overwogen dat er verschil in standpunt was tussen de huisarts en de verzekeringsarts en dat uit de door appellante overgelegde brief van de behandelend internist W. Allon van 2 juni 2004 niet viel af te leiden dat deze appellante op de datum in geding ten gevolge van objectiveerbare afwijkingen niet in staat achtte haar werkzaamheden te verrichten. Nu het oordeel van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts gelijkluidend is en appellante geen medische informatie heeft overgelegd die een ander licht werpt op de gezondheidstoestand van appellante op

23 juli 2003, ziet de rechtbank geen aanleiding de juistheid van het medisch oordeel en de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek in twijfel te trekken. Het beroep is ongegrond verklaard.

In de bezwaarfase heeft appellante onder meer een overzicht van het journaal van haar huisarts P.J. Jansen over de periode van januari 1993 - september 2003 overgelegd, met daarbij een commentaar van de huisarts op het rapport van de verzekeringsarts. Daarop heeft de verzekeringsarts in een rapport van 22 oktober 2003 gereageerd. In hoger beroep heeft appellante een overzicht van het journaal van de huisarts over juli 2003 met daarbij handgeschreven aantekeningen van de huisarts alsmede over de periode november 2003 - januari 2004 overgelegd. Tevens is een brief van Instituut Psychosofia Centrum voor Spirituele Geneeswijze en Spirituele Dans van 16 augustus 2004 in het geding gebracht. Appellante heeft zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat zij ten onrechte hersteld is verklaard en dat haar ten onrechte per 23 juli 2003 verdere uitkering van ziekengeld is geweigerd.

Anders dan de rechtbank ziet de Raad aanleiding de juistheid van het medisch oordeel en de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek in twijfel te trekken. Aan het overzicht van het journaal van de huisarts Jansen ontleent de Raad dat deze op 1 juli 2003 een depressie bij appellante constateert. Op 7 juli 2003 is sprake van een viraal infect met depressie. Op 24 juli 2003 noteert de huisarts “viraal infect kan goed passen bij ziekte van pfeiffer: rust. Mag wel buiten wandelen.” De huisarts is het medisch inhoudelijk in het geheel niet eens met het rapport van de verzekeringsarts Lafeber. Hij vindt appellante wel depressief, zelfs met vitale kenmerken, namelijk stoornissen in dag- en nachtritme. Daarnaast is tevens de ziekte van Pfeiffer vastgesteld. Op 7 januari 2004 schrijft de huisarts in antwoord op een brief van mr. De Jonge onder meer dat hij receptvoorschriften door de computer laat onderdrukken om het overzicht enigszins beperkt te houden, en dat hij in grote lijnen de mening van mr. De Jonge deelt en die ondersteunt.

De internist Allon, die appellante voor het eerst op 4 december 2003 heeft gezien, constateert samenvattend: “april 2003 vacuüm extractie na zwangerschapstoxicose met daarna ernstige anemie en tevens in die tijd mogelijk doorgemaakte morbus Pfeiffer, gevolgd door restverschijnselen. Zonder verdere maatregelen is het in de follow up van patiënte geleidelijk beter gegaan. (...) Patiënte voelt zich niet meer moe, heeft meer energie en werkt weer full time. De factor tijd heeft zij dus duidelijk nodig gehad.”

Daar staat tegenover dat de verzekeringsarts zich in zijn reactie van 22 oktober 2003 op de gegevens van de huisarts, kort gezegd, op het standpunt stelt dat de door de huisarts gestelde diagnose wat betreft de depressie niet juist is en wat betreft de ziekte van Pfeiffer niet waarschijnlijk is, zodat appellante gezien de lichamelijke klachten in staat moest zijn te werken. Hij neemt aan dat de huisarts de psychische klachten blijkbaar niet echt ernstig vond omdat deze geen medicijnen heeft voorgeschreven en appellante niet heeft verwezen voor behandeling van die klachten. Appellante heeft echter bij de eerste beoordeling op 11 juli 2003 verklaard dat zij de voorgeschreven medicatie tegen depressieve klachten niet kon gebruiken in verband met borstvoeding. De bezwaarverzekeringsarts heeft het standpunt van de verzekeringsarts in feite onderschreven. Wel acht hij het mogelijk dat er bij appellante sprake was van een depressie met vitale kenmerken en ook acht hij de verklaring van appellante dat zij geen medicatie kon gebruiken in verband met de virale infectie plausibel. In reactie op het beroepschrift schrijft de bezwaarverzekeringsarts op 17 december 2003 dat het hier niet zozeer om diagnoses als wel om de belastbaarheid van appellante gaat, en dat de bevindingen van de verzekeringsarts op 22 juli 2003 doorslaggevend moeten zijn. Het is volgens de bezwaarverzekeringsarts maar de vraag of het feit dat de huisarts rust en wandelen als leefregels geeft, strijdig is met de beslissing dat appellante in staat is passend werk te verrichten, nu het hier gaat om fysiek licht, overwegend zittend werk.

De Raad stelt vast dat over de aard en ernst van de klachten van appellante op de datum in geding onmiskenbaar een verschil van inzicht bestaat tussen de (bezwaar)verzekeringsarts en de huisarts van appellante. De huisarts houdt met stelligheid vast aan zijn medisch oordeel betreffende de depressie en de ziekte van Pfeiffer en schrijft rond de datum in geding rust voor. Ook de internist lijkt uit te gaan van een doorgemaakte ziekte van Pfeiffer en de nodige tijd voor herstel. Aannemelijk is dat de huisarts appellante medicatie heeft voorgeschreven tegen de depressie. De leefregel rust houden staat naar het oordeel van de Raad zonder meer op gespannen voet met de veronderstelde belastbaarheid voor fulltime werkzaamheden, ook al zijn die niet fysiek belastend. Gelet op de gesignaleerde discrepanties concludeert de Raad alles overziende dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts te lichtvaardig aan het gemotiveerde standpunt van de huisarts voorbij zijn gegaan. Het bestreden besluit is dan ook niet voldoende zorgvuldig voorbereid en is in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genomen. Het bezwaar is ten onrechte ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellante ten onrechte ongegrond verklaard. Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak komen voor vernietiging in aanmerking.

Nu appellante tijdig heeft verzocht om een vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase op grond van artikel 7:15 van de Awb, acht de Raad het aangewezen in zoverre met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit te herroepen wegens aan het Uwv te wijten onrechtmatigheid. De Raad zal het Uwv veroordelen in de kosten voor verleende rechtsbijstand in bezwaar. Deze kosten worden begroot op € 644,-.

De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-. Wat betreft het verzoek om vergoeding van de kosten van de eigen bijdrage wijst de Raad erop dat deze vergoeding niet is voorzien in het ter uitvoering van artikel 8:75 van de Awb genomen Besluit proceskosten bestuursrecht. De vordering van vergoeding van de kosten van adviseurs en van kosten voor het opvragen van medische inlichtingen bij de behandelend sector komt niet voor toewijzing in aanmerking, reeds omdat deze kosten in het geheel niet zijn gespecificeerd en daarvan geen nota’s zijn overgelegd.

Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb is de Raad van oordeel dat dit verzoek thans niet voor toewijzing in aanmerking komt, omdat de Raad onvoldoende inzicht heeft in de vraag of er schade wordt geleden en zo ja, welke omvang deze schade heeft. Wel zal het Uwv, indien het een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen, bij de voorbereiding van dat besluit tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden. Indien het Uwv mocht besluiten af te zien van een nieuw besluit, zal het ter zake een zelfstandig besluit dienen te nemen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Herroept het primaire besluit van 28 juli 2003;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in bezwaar tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en

M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op

6 september 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.

GdJ