Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY7817

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2006
Datum publicatie
08-09-2006
Zaaknummer
06/1678 AW, 06/1679 AW en 06/4262 AW-VV
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek om afkoop van wachtgeld en van schadevergoeding. Afwijzing van het verzoek om herziening omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/1678 AW, 06/1679 AW en 06/4262 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2006, 03/5936 AW en 05/1041 AW (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 5 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Verzoeker heeft daarop gereageerd en tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2006. Verzoeker is in persoon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Wit, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de

voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoeker is per 1 januari 1992 in dienst getreden als [naam functie] van het gemeentelijke Slotervaartziekenhuis. In december 1996 is aan verzoeker ingaande 1 januari 1997 de zogeheten transferstatus toegekend in verband met de privatisering van het Slotervaartziekenhuis. Met ingang van 1 juli 1997 zijn alle transferkandidaten voor wie tot op dat moment geen arbeidsplek bij de Stichting Slotervaartziekenhuis was gevonden, overgegaan naar de Diensttak Sociale en Personele Interimtaken van de gemeente Amsterdam. Bij besluit van 4 juni 1999 is verzoeker met ingang van 9 augustus 1999 wegens opheffing van zijn functie ontslag als ambtenaar verleend. Aan hem is vervolgens wachtgeld toegekend.

1.2. Bij besluit van 18 maart 1998 was reeds afwijzend beslist op verzoekers

verzoek om afkoop van wachtgeld. Daarbij is overwogen dat afkoop van wachtgeld in het Sociaal Plan privatisering Slotervaartziekenhuis (hierna: Sociaal Plan) niet aan de orde is en voorts ingegaan op de inhoud van een aan verzoeker gerichte brief van de directeur van het Slotervaartziekenhuis van 16 mei 1997. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Tijdens de hoorzitting ter zake van dit bezwaar heeft verzoeker verzocht om schadevergoeding ter grootte van de vertrekpremie conform het Sociaal Plan ad f 25.000,--.

1.3. Bij besluit van 3 december 1999 heeft het college het bezwaar tegen het

besluit van 18 maart 1998 ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding conform het Sociaal Plan afgewezen, welke laatste afwijzing bij beslissing op bezwaar van 10 november 2000 is gehandhaafd. Verzoeker heeft geen beroep ingesteld tegen de besluiten van 3 december 1999 en 10 november 2000.

1.4. Bij primair besluit van 2 december 2003, gehandhaafd bij het bestreden

besluit van 2 augustus 2005, heeft het college het verzoek van verzoeker van 10 september 2003 om herziening van de besluiten van 18 maart 1998, 3 december 1999 en 10 november 2000 afgewezen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden

besluit ongegrond verklaard.

3. Verzoeker heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

Tevens heeft hij verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4.3. Het verzoek van 10 september 2003 strekt ertoe dat het college terugkomt van de eerdere, in rechte onaantastbaar geworden, besluiten van 18 maart 1998, 3 december 1999 en 10 november 2000.

4.4. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

4.5. Verzoeker heeft ter ondersteuning van zijn herhaalde aanvraag van 10 september 2003 aangevoerd dat het niet reageren door het college op zijn, in aansluiting op een suggestie in het besluit van 10 november 2000 gedane, verzoek van 22 november 2000 om schadevergoeding op basis van de zogenoemde kantonrechtersformule een nieuw gebleken feit, dan wel een veranderde omstandigheid is, die voor het college aanleiding had moeten zijn de besluiten van 18 maart 1998, 3 december 1999 en 10 november 2000 te herzien. Verzoeker wijst er hierbij op dat in mei 1997 afspraken zijn gemaakt omtrent verzoekers eventuele ontslag en de daaraan gekoppelde financiƫle vertrekregeling. Deze afspraken, waarbij aangesloten is bij een advies van de Commissie Sociaal Plan van 2 mei 1997, zijn vastgelegd in een brief van 16 mei 1997, maar worden door het college stelselmatig genegeerd.

4.6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin aangevoerd. De brief van 16 mei 1997 alsmede het advies van 2 mei 1997 zijn immers bij de totstandkoming van de besluiten, waarvan appellant herziening verzoekt, aan de orde geweest. Het niet reageren volgens verzoeker door het college op zijn verzoek van 22 november 2000 is evenmin een nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Daarbij dient het te gaan om een feit dat of omstandigheid die ziet op de oorspronkelijke besluiten. Daaraan is hier niet voldaan. De besluiten van 18 maart 1998, 3 december 1999 en 10 november 2000 hebben betrekking op de weigering om afkoop van wachtgeld en om schadevergoeding ter grootte van de vertrekpremie conform het Sociaal Plan ad f 25.000,-- toe te kennen, terwijl het verzoek van 22 november 2000, waarop volgens het college overigens wel inhoudelijk is gereageerd, ziet op schadevergoeding op basis van de kantonrechtersformule.

4.7. Het college was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek van 10 september 2003 af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar de besluiten van 18 maart 1998, 3 december 1999 en 10 november 2000. In hetgeen door verzoeker is gesteld ziet de voorzieningenrechter geen grond te oordelen dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Onder deze omstandigheden bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening geen grond, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.

4.9. De voorzieningenrechter acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

in de hoofdzaak:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

op het verzoek om voorlopige voorziening:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.M. Josten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 september 2006.

(get.) J.C.F. Talman

(get.) I.M. Josten

FB/4/9/