Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY7700

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-09-2006
Datum publicatie
07-09-2006
Zaaknummer
04-4918 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Juistheid vastgestelde beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/4918 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 juli 2004, 04/762 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 1 september 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.A. Breetveld, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2006. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.A.C. Rijk.

II. OVERWEGINGEN

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellant tegen het bestreden besluit van 20 januari 2004, houdende de ongegrond verklaring van het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 12 juni 2003, waarbij zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met ingang van

11 augustus 2003 is herzien naar de klasse 25 tot 35%.

In hoger beroep houdt appellant zijn eerder naar voren gebrachte grieven staande. Die grieven houden in dat hij niet lichamelijk is onderzocht door de verzekeringsarts en/of bezwaarverzekeringsarts van het Uwv, dat ten onrechte geen informatie bij de behandelend sector is ingewonnen en dat voor hem als gevolg van zijn rugklachten meer arbeidsbeperkingen gelden dan vanwege het Uwv is aangenomen.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat op basis van de beschikbare dossiergegevens - de Raad noemt in dit verband het rapport van de primaire verzekeringsarts van

24 april 2003, de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 15 september 2003 en

8 oktober 2003 en de brief, gedateerd 25 september 2003, van de behandelend anesthesioloog R.L. van Leersum aan de bezwaarverzekeringsarts J.H. Logger - moet worden geoordeeld dat de beide eerst vermelde grieven van appellant feitelijke grondslag missen.

Ook de derde grief, inhoudend dat de beperkingen die voortvloeien uit de rugklachten van appellant zijn onderschat, treft geen doel. Appellant komt ook in hoger beroep niet met enige objectief-medische onderbouwing daarvoor. Uit de beschikbare stukken komt naar voren dat er weliswaar bepaalde beperkingen voor appellant gelden, maar er zijn geen aanknopingspunten om het ervoor te houden dat met die beperkingen niet reeds in voldoende mate is rekening gehouden bij het opstellen van het belastbaarheidspatroon. De eigen opvatting van appellant dat hij zodanige beperkingen ondervindt dat hij in het geheel niet meer kan werken, vindt bepaald geen steun in de omtrent hem voorhanden zijnde medische gegevens.

Voorts staat voor de Raad genoegzaam vast dat appellant, gegeven de voor hem van toepassing geachte beperkingen, terecht in staat is geacht tot het verrichten van de werkzaamheden die zijn verbonden aan de voor hem als passende arbeidsmogelijkheden geselecteerde functies. Door de bezwaararbeidsdeskundige is overtuigend toegelicht dat in die functies geen belastende aspecten voorkomen die buiten het bereik van appellant liggen.

Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 september 2006.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

JK/2676