Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY7620

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2006
Datum publicatie
06-09-2006
Zaaknummer
05-5757 BZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op de grond dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is in de zin van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2006, 312

Uitspraak

05/5757 BZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 augustus 2005, 05/915 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.J.M. van der Wielen te Oss hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2006. Namens appellant is verschenen mr. Van der Wielen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J.L. Albers, werkzaam bij de gemeente Bernheze.

II. OVERWEGINGEN

Appellant dreef sedert 1 juni 1983 een eenmanszaak onder de handelsnaam Autohandel [naam bedrijf]. De bedrijfsactiviteiten bestonden uit de in- en verkoop van gebruikte auto’s.

In de periode van november 2001 tot april 2003 is appellant gedetineerd geweest. Volgens appellant heeft zijn broer in die periode de bedrijfsactiviteiten overgenomen. Na afloop van de detentie stond het bedrijf er financieel zodanig slecht voor dat appellant op 6 augustus 2003 een aanvraag om algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal heeft ingediend.

Bij besluit op bezwaar van 2 december 2004 heeft het College besloten die aanvraag af te wijzen op de grond dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is in de zin van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) en dat de kredietbehoefte hoger is dan op grond van het Bbz 2004 maximaal aan een beginnend zelfstandige kan worden verleend.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

2 december 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en b, in verbinding met artikel 2, tweede lid, van het Bbz 2004 kunnen algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal worden verleend aan de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is dan wel aan de persoon of de echtgenoot van de persoon die uit hoofde van werkloosheid een uitkering ontvangt en die een bedrijf of zelfstandig beroep begint dat levensvatbaar is.

Onder een levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep wordt volgens artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 verstaan het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan.

De Raad stelt voorop dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een levensvatbaar bedrijf enkel van betekenis is de situatie ten tijde van het besluit van

2 december 2004. Hij neemt daarbij in aanmerking dat het College eerst bij dat besluit inhoudelijk op de aanvraag heeft beslist.

Blijkens het aan het besluit van 2 december 2004 ten grondslag liggende rapport van IMK Intermediair (IMK) van 3 november 2004, bezien in samenhang met het voorlopige rapport van het IMK van 12 december 2003, bedraagt de kredietbehoefte vanwege de bestaande liquiditeitspositie van het bedrijf € 111.300,--, waarin slechts kan worden voorzien door middel van een krediet op grond van het Bbz 2004. Daarbij is met name van belang geacht dat appellant ten tijde als hier van belang een aanzienlijke schuld had bij de Belastingdienst ter zake van aanslagen omzet- en inkomstenbelasting. Naar het oordeel van het IMK is hierdoor de kredietbehoefte dermate hoog dat de nieuwe financiële lasten te zwaar drukken op de exploitatie van het bedrijf. Het IMK heeft het bedrijf van appellant niet levensvatbaar geacht en heeft het College geadviseerd de aanvraag van appellant af te wijzen.

De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om te komen tot het oordeel dat de rapportage van het IMK niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen dan wel onvolledig of inhoudelijk onjuist is, zodat niet valt in te zien dat het College zich bij zijn besluitvorming niet mocht baseren op het IMK-advies. De Raad tekent daarbij aan dat het IMK een mild beeld schetst van de werkelijke omvang van de schuldenlast. Zo is het IMK uitgegaan van sanering van de belastingschulden met een schuldsanerings-percentage van 25 en zijn een schuld aan administrateur Van der Wielen en een drietal schulden terzake van privéleningen buiten beschouwing gelaten.

De Raad merkt in dit verband verder op dat appellant geen contra-expertise heeft doen verrichten en dat de grieven van appellant geen ondersteuning vinden in de beschikbare gegevens.

Ten overvloede wijst de Raad er op dat in het kader van het onderhavige geding geen rekening kan worden gehouden met eventuele ontwikkelingen ná het hier van belang zijnde tijdstip, 2 december 2004, en dat het appellant vrij staat om in geval van een relevante wijziging van omstandigheden een nieuwe aanvraag in te dienen.

Nu ook de Raad zich kan verenigen met het oordeel van het College dat het bedrijf van appellant ten tijde als hier van belang naar objectieve maatstaven hoe dan ook niet levensvatbaar was, kan de vraag of appellant moest worden aangemerkt als een beginnend zelfstandige of als een gevestigd zelfstandige verder buiten bespreking blijven.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 september 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) J. Jörg.

GG230806