Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY7077

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2006
Datum publicatie
29-08-2006
Zaaknummer
05-4209 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WW-uitkering omdat betrokkene in strijd met de op haar rustende inlichtingenplicht niet heeft gemeld dat zij ook een ZW-uitkering ontving, zodat het aan haar te wijten is dat zij te veel uitkering heeft ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2006, 361
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4209 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 23 mei 2005, 04/99, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 augustus 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.A.A. Houpperichs, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 2 mei 2006 heeft het Uwv een hem door de Raad gestelde vraag beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2006. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A.A. Soer, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemers- verzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, als vaststaande aangenomen, feiten en omstandigheden.

2.1. Bij besluit van 19 maart 2002 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat de haar met ingang van 1 oktober 2001 toegekende WW-uitkering met ingang van 4 maart 2002 is beëindigd omdat appellante per die datum is gaan werken bij [naam werkgever] (hierna: de werkgever). Op 15 maart 2002 heeft appellante zich ziek gemeld bij de werkgever. Bij brief van 25 maart 2002 heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst per diezelfde datum in de proeftijd beëindigd.

2.2. Bij besluit van 24 april 2002 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat haar WW-uitkering met ingang van 25 maart 2002 is herleefd. Bij brief van 24 april 2002 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat de maximale uitkeringsduur van de loongerelateerde uitkering was bereikt en dat appellante met ingang van 22 april 2002 recht heeft op een vervolguitkering tot maximaal 22 april 2004.

2.3. Bij besluit van 3 juni 2002 heeft het Uwv, onder toepassing van artikel 29b van de Ziektewet (ZW), aan appellante met ingang van 17 maart 2002 een ZW-uitkering toegekend. In dit besluit is aangegeven dat het ziekengeld wordt betaald aan de werkgever, die aan appellante het loon doorbetaalt. Met ingang van 14 maart 2003 is aan appellante een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.4. Bij besluit van 13 juni 2003 heeft het Uwv de aan appellante toegekende WW-uitkering met ingang van 25 maart 2002 tot 10 maart 2003 herzien en de ten onrechte aan appellante over die periode uitbetaalde WW-uitkering tot een bedrag van

€ 10.500,55 van haar teruggevorderd. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenplicht niet heeft gemeld dat zij ook een ZW-uitkering ontving, zodat het aan haar te wijten is dat zij te veel uitkering heeft ontvangen. Bij besluit van 3 december 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 juni 2003 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij het standpunt gehandhaafd dat betrokkene de op haar rustende inlichtingen-plicht heeft geschonden en overwogen dat er geen dringende redenen zijn om van herziening of van terugvordering van hetgeen onverschuldigd is betaald af te zien.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Zij heeft daartoe overwogen dat het bestreden besluit ten dele op een onjuiste motivering berust en om die reden dient te worden vernietigd. Naar haar oordeel kan pas met betrekking tot de periode vanaf 3 juni 2002 worden gesteld dat door toedoen van appellante te veel WW-uitkering is betaald en heeft het Uwv appellante ten onrechte verweten dat zij zich reeds vóór 3 juni 2002 niet aan de informatieverplichting heeft gehouden. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat in het midden kan worden gelaten of het appellante in de periode van 25 maart 2002 tot 3 juni 2002 al dan niet redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat haar ten onrechte WW-uitkering werd verstrekt omdat uit het door het Uwv ter zake gevoerde beleid, neergelegd in de bijlage bij de ‘Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen’ van

18 april 2000, Stcrt 2000, 89, blijkt dat indien aan een belanghebbende over een periode waarover ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt een andere uitkering wordt verstrekt, de beslissing over eerst bedoelde uitkering wordt ingetrokken of herzien met ingang van de datum waarop de andere uitkering wordt verstrekt. Op grond van dit beleid heeft het Uwv, naar het oordeel van de rechtbank, terecht de aan appellante toegekende WW-uitkering met ingang van 25 maart 2002 herzien.

4.1. In hoger beroep heeft appellante wederom aangevoerd dat het haar niet kan worden verweten dat zij van 25 maart 2002 tot 10 maart 2003 ten onrechte WW-uitkering heeft ontvangen. Naar haar opvatting moet primair, op grond van de bij haar vastgestelde psychische stoornissen en haar zwakbegaafdheid, worden aangenomen dat zij niet in staat was om te beseffen of in te zien dat zij ten onrechte WW-uitkering heeft ontvangen en subsidiair dat zij dat in elk geval niet voor 3 juni 2002 heeft kunnen beseffen of in kunnen zien. Voorts heeft appellante op dezelfde gronden gesteld dat ten aanzien van haar sprake is van dringende redenen om van herziening en terugvordering van de WW-uitkering af te zien.

4.2. Het Uwv heeft in de aangevallen uitspraak berust en in verweer verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en hij overweegt daartoe als volgt.

5.1. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante, gelet op artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, met ingang van 25 maart 2002 geen recht had op WW-uitkering, daar aan haar met ingang van 17 maart 2002 een ZW-uitkering was toegekend.

5.2. Voorts is de Raad van oordeel dat uit de voorhanden zijnde gegevens voortvloeit dat, nu aan appellante bij besluit van

24 april 2002 eerst te kennen is gegeven dat haar WW-uitkering met ingang van 25 maart 2002 is herleefd en vervolgens pas bij besluit van 3 juni 2002 aan haar is meegedeeld dat -op verzoek van de werkgever- aan haar een ZW-uitkering wordt verstrekt met ingang van 17 maart 2002, niet kan worden aangenomen dat het appellante op een moment vóór 3 juni 2002 redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat zij ten onrechte WW-uitkering ontving, noch dat zij vóór die datum door eigen toedoen ten onrechte WW-uitkering heeft ontvangen. Het Uwv heeft zich ter zitting van de Raad ook op dit standpunt gesteld. Vanaf het moment waarop appellante op de hoogte was van de toekenning aan haar van een ZW-uitkering heeft het naar het oordeel van de Raad wel redelijkerwijs duidelijk voor haar kunnen zijn dat zij ten onrechte WW-uitkering ontving en gold voor haar op grond van artikel 25 van de WW de verplichting om daarvan mededeling te doen aan het Uwv, hetgeen zij nimmer heeft gedaan. De Raad kan zich niet stellen achter het standpunt van appellante dat haar het niet-nakomen van deze verplichting niet kan worden verweten wegens haar psychische stoornissen en zwakbegaafdheid. Appellante is niet onder curatele gesteld en werd en wordt bijgestaan door haar ouders, zodat de Raad niet vermag in te zien dat het voor appellante niet redelijkerwijs duidelijk heeft kunnen zijn dat zij zowel een ZW-uitkering als een WW-uitkering ontving. Naar ter zitting door het Uwv nog nader is toegelicht, is de aan appellante toegekende ZW-uitkering vanaf begin juni 2002 aan appellante zelf uitbetaald.

5.3. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet uit de bijlage bij het besluit Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen van 18 april 2000, Stcrt. 2000, 89, welk besluit met ingang van 1 januari 2002 geldt als een besluit van het Uwv, volgt dat in het voorliggende geval de beslissing waarbij is vastgesteld dat de WW-uitkering van appellante met ingang van 25 maart 2002 is herleefd, kan worden herzien met terugwerkende kracht tot 25 maart 2002 en dat het daarvoor niet uitmaakt of er sprake was van toedoen van appellante, dan wel of het haar al dan niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat haar ten onrechte WW-uitkering is verstrekt. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de bedoelde bijlage op dit punt niet op juiste wijze gelezen. Ook het Uwv heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het zich niet kan stellen achter het daaromtrent gegeven oordeel van de rechtbank. Bedoeld onderdeel ziet niet op de zich in het voorliggende geval voordoende situatie dat een belanghebbende ten onrechte twee uitkeringen naast elkaar ontvangt.

5.4. Het beroep dat appellante heeft gedaan op het bestaan van dringende redenen als bedoeld in artikel 22a, tweede lid, dan wel artikel 36, vierde lid, van de WW om af te zien van herziening en terugvordering, kan naar het oordeel van de Raad niet slagen. Aan de parlementaire behandeling van de Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid ontleent de Raad dat de bedoelde dringende redenen slechts gelegen kunnen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die de herziening, dan wel de terug-vordering, voor de belanghebbende heeft. Het moet dan gaan om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. De door appellante aangevoerde omstandigheden ziet de Raad niet als zodanige bijzondere en uitzonderlijke omstandig-heden die maken dat de gevolgen van de herziening, dan wel de terugvordering, voor appellante als onaanvaardbaar moeten worden beschouwd.

5.4. Op grond van bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit voor zover het de periode van 25 maart 2002 tot 3 juni 2002 betreft niet in rechte stand kan houden. De Raad kan zich derhalve, zij het met verbetering van de gronden, stellen achter de beslissing van de rechtbank tot vernietiging van het bestreden besluit. Het Uwv dient evenwel, gelet op het bovenstaande, met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen, zodat de Raad de aangevallen uitspraak zal vernietigen voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

6. In het vorenstaande ziet de Raad aanleiding het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar betaalde griffierecht in hoger beroep van € 103,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.J. Goorden en R.P.Th. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.H. Peper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2006.

(get.) H. Bolt.

(get.) S.H. Peper.