Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY6144

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2006
Datum publicatie
15-08-2006
Zaaknummer
05-522 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitengewoon verlof in combinatie met (zonder rechtsgrond) verlenen van status herplaatsingskandidaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/522 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van Bestuur van het Erasmus Universitair Medisch Centrum, te Rotterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 14 december 2004, 03/4579 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 20 juli 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.A. Bijker en A. van der Vorm, beiden werkzaam bij het Erasmus Universitair Medisch Centrum (hierna: Erasmus MC). Betrokkene is in persoon verschenen, met bijstand van mr. K. Brouwer, juridisch adviseur te Delft.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat aan de hand van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was werkzaam als medewerker [functie] bij het Erasmus MC. Bij besluit van 10 februari 2003 heeft appellant betrokkene op grond van ernstig verstoorde arbeidsverhoudingen overgeplaatst naar een niet nader bepaalde andere functie in het Erasmus MC. Aan betrokkene is de status van herplaatsingskandidaat verleend.

1.2. Appellant heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij het bestreden besluit van 17 september 2003 gegrond verklaard. Daartoe is, in navolging van het advies van de Bezwarenadviescommissie, overwogen dat een besluit tot overplaatsing volgens vaste jurisprudentie uit twee componenten bestaat: de ontheffing uit de ene functie en het opdragen van de andere functie. Met betrekking tot de eerste component, de ontheffing, staat nog onvoldoende vast dat betrokkene niet kan terugkeren naar haar werkplek; dit dient nog nader onderzocht te worden. Met betrekking tot de andere component wordt geconstateerd dat er nog in het geheel geen sprake was van een mogelijk op te dragen nieuwe functie, maar enkel van een niet nader gedefinieerd herplaatsingstraject of van een vertrekregeling. Het gevolg is een situatie waarin betrokkene onaanvaardbaar lang is blijven “zweven”. Appellant heeft dan ook besloten het besluit tot overplaatsing niet te handhaven. Dit betekent echter geenszins dat betrokkene haar werkzaamheden bij de apotheek zonder meer kan hervatten. Eerst dient een extern bureau te onderzoeken wat de aard en ernst is van het arbeidsconflict, en of en zo ja, op welke wijze, terugkeer van betrokkene naar haar oude werkplek mogelijk is. Betrokkene is verplicht hieraan medewerking te verlenen. Betrokkene houdt gedurende het externe onderzoek de status van herplaatsingskandidaat. Zolang het herplaatsingsonderzoek duurt wordt aan haar buitengewoon verlof verleend.

1.3. Aan betrokkene is vervolgens bij besluit van 9 september 2004 met ingang van 1 december 2004 eervol ontslag verleend “op andere gronden”. Ter zitting is verklaard dat op het tegen dit besluit ingestelde bezwaar nog niet is beslist. Het onderhavige geding betreft uitsluitend het bestreden besluit van 17 september 2003.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daartoe is overwogen dat door de herroeping van het primaire besluit, waarbij betrokkene was overgeplaatst, betrokkene weer was geplaatst in haar oude functie bij de apotheek en in beginsel gerechtigd was de bijbehorende werkzaamheden te verrichten. Dat zou anders kunnen zijn, indien appellant aan een toepasselijke rechtspositionele regeling een rechtsgrond zou kunnen ontlenen om aan betrokkene de feitelijke terugkeer in haar functie te weigeren. Appellant heeft zodanige rechtsgrond niet kunnen aanwijzen. Ook de toekenning van de status van herplaatsingskandidaat, waartoe in samenhang met het overplaatsingsbesluit is besloten, mist een rechtsgrond, alleen al vanwege de herroeping van het overplaatsings-besluit, aldus de rechtbank.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep onder meer betoogd dat de rechtbank heeft voorbijgezien aan de duidelijke rechtsgrond die appellant aan zijn weigering om betrokkene feitelijk te laten terugkeren ten grondslag heeft gelegd. Aan betrokkene is immers, aldus appellant, zolang het herplaatsingsonderzoek duurt, buitengewoon verlof verleend, met toepassing van

artikel 7.3.9 van de CAO Academische Ziekenhuizen (hierna: CAO). Voorts heeft de rechtbank miskend dat het besluit betrokkene buiten-gewoon verlof te verlenen een primair besluit is; de rechtbank had het beroep voorzover gericht tegen de verlening van buitengewoon verlof terug moeten wijzen naar appellant om als bezwaar te behandelen. Tenslotte stelt appellant dat de aanmelding bij het Loopbaancentrum als herplaatsingskandidaat geen enkel zelfstandig rechtsgevolg heeft en slechts een voorbereidingshandeling betreft. Volgens appellant had de rechtbank het beroep tegen de aanwijzing als herplaatsingskandidaat dan ook niet-ontvankelijk dienen te verklaren.

3.2. Betrokkene heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd en de overige in dit geding voorhanden zijnde gegevens overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad kan appellant allereerst niet volgen in zijn grief dat de rechtbank het besluit tot verlenen van buitengewoon verlof ten onrechte niet als een primair besluit heeft aangemerkt. Het desbetreffende besluit is meegedeeld in de beslissing op bezwaar van 17 september 2004 naar aanleiding van de bezwaren van betrokkene tegen haar weg-plaatsing zonder dat er een andere functie voor haar voorhanden was. Betrokkene heeft (mede) daartegen, overeenkomstig de vermelding van de beroepsmogelijkheid aan het slot van die beslissing, beroep ingesteld bij de rechtbank. Blijkens de aangevallen uitspraak is ter zitting van de rechtbank gebleken dat appellant met de verlening van buitengewoon verlof beoogd heeft zijn reeds in het primaire besluit getrokken conclusie, dat betrokkene niet kan terugkeren in haar functie, te handhaven. Daaruit volgt dat de verlening van buitengewoon verlof de uitkomst vormt van de heroverweging, die ingevolge artikel 7:11 van de Awb op de grondslag van het bezwaar plaatsvond. Van een nieuw primair besluit, waartegen betrokkene eerst bij appellant bezwaar had moeten maken, was derhalve naar het oordeel van de Raad geen sprake.

4.2. Artikel 7.3.9 van de CAO, waarop appellant zich bij het verlenen van buitengewoon verlof heeft gebaseerd, bepaalt: “Buitengewoon verlof van korte dan wel langere duur, al dan niet bezoldigd, kan voorts door de werkgever worden verleend in de gevallen waarin daartoe aanleiding aanwezig wordt geacht”. Ter zitting is namens appellant verklaard, dat is gekozen voor het gebruikmaken van deze bevoegdheid, en niet van de maatregel van op non-actiefstelling, omdat laatstgenoemde maatregel als diffamerend kan worden ervaren. Namens betrokkene is gesteld dat artikel 7.3.9 van de CAO niet voorziet in een situatie waarin een werknemer - zonder dat zij daarom verzoekt - door de werkgever buiten-gewoon verlof krijgt opgedrongen.

4.3. De Raad is van oordeel dat het verlenen van buitengewoon verlof voor de duur van een onderzoek naar ernstig verstoorde arbeidsverhoudingen, zoals hier aan de orde, op zichzelf beschouwd in het algemeen een passende maatregel kan zijn. De Raad kan betrokkene niet volgen in haar stelling dat de bewoording en context van artikel 7.3.9 van de CAO zich zouden verzetten tegen een eenzijdige verlening van dergelijk verlof. Daarbij wijst de Raad erop dat bedoeld artikel een zeer algemene redactie kent en in dat opzicht duidelijk afwijkt van de daaraan voorafgaande reeks artikelen over buitengewoon verlof, waarin gevallen geregeld worden waarin in het algemeen sprake zal zijn van het vragen van verlof door betrokkene. In lijn met hetgeen de Raad reeds eerder heeft overwogen (CRvB 2 september 1999, LJN ZB8507), staat het voorschrift dat de medewerker buitengewoon verlof als regel ten minste één werkdag tevoren aanvraagt, niet in de weg aan eenzijdige verlening van dergelijk verlof.

4.4. In het onderhavige geval heeft appellant als werkgever echter niet volstaan met het verlenen van buitengewoon verlof voor de duur van het onderzoek, maar deze maatregel gekoppeld aan het verlenen van de status van herplaatsingskandidaat aan betrokkene. Met deze combinatie van maatregelen wordt naar het oordeel van de Raad een effect bereikt dat niet anders is dan dat van het overplaatsingsbesluit dat appellant bij hetzelfde besluit heeft herroepen. Betrokkene blijft nog immer “zweven”, zonder reëel zicht op een nieuwe functie.

4.5. Appellant heeft in dit verband nog gesteld dat de aanmelding van betrokkene als herplaatsingskandidaat niet op zelfstandig rechtsgevolg gericht is, en derhalve niet is te beschouwen als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad oordeelt anders. Het verlenen van de status van herplaatsingskandidaat betekent dat zonder instemmen van betrokkene zal worden gezocht naar een andere functie voor betrokkene. Zoals appellant zelf in het bestreden besluit aangeeft, is aan de status van herplaatsingskandidaat verbonden dat betrokkene bij de vervulling van vacatures in principe voorrang heeft op andere kandidaten. Voorts wordt in het besluit aangegeven dat, indien uit het externe onderzoek blijkt dat terugkeer niet mogelijk is, het herplaatsingsonderzoek nog maximaal een half jaar zal worden voortgezet. Mocht uiteindelijk terugkeer noch herplaatsing mogelijk blijken te zijn, dan diende betrokkene er rekening mee te houden dat het dienstverband zou worden beëindigd. De genoemde gevolgen zijn onmiskenbaar rechtsgevolgen van rechtspositionele aard, die een basis behoeven in een rechtspositionele regeling. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat zodanige basis niet is aan te wijzen.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-. Van appellant dient voorts op grond van

artikel 22, derde lid, van de Beroepswet alsnog griffierecht te worden geheven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Erasmus Universitair Medisch Centrum;

Bepaalt dat van het Erasmus Medisch Centrum een griffierecht van € 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) O.C. Boute.

Q