Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY6135

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-07-2006
Datum publicatie
15-08-2006
Zaaknummer
05-6181 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erkenning als burgeroorlogsslachtoffer geweigerd. Oorlogservaringen in Nederlands-Indië in WOII.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6181 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (Canada), (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 27 juli 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [naam zuster], zuster van appellante en wonende te [woonplaats], beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 31 augustus 2005, kenmerk JZ/T60/2005, ten aanzien van appellante genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2006. Daar is appellante naar tevoren was bericht niet verschenen bij haar gemachtigde [naam zuster] voornoemd. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, geboren in 1936 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in juli 1994 bij verweerster een aanvraag ingediend om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet. Deze aanvraag van appellante is afgewezen door verweerster bij besluit van

16 juni 1995, op de grond dat appellante niet voldeed aan de in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet gestelde nationaliteits- en territorialiteitseisen en er geen aanleiding bestond om in het geval van eiseres gebruik te maken van de in artikel 3, zesde lid, van de Wet gegeven bevoegdheid om wegens klaarblijkelijke hardheid aan deze eisen voorbij te gaan. Verweerster heeft het tegen dat besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 28 november 1996 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet indienen van gronden voor bezwaar.

In maart 1999 heeft appellante verweerster verzocht om herziening van het besluit van 16 juni 1995, doch door tussenkomst van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden te Toronto is dat verzoek ingetrokken en omgezet in een verzoek om toekenning van een periodieke uitkering als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Dit verzoek heeft de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad afgewezen bij besluit van 20 juni 2000, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 december 2000, op grond van de overweging dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat appellante vervolging in de zin van de WUV heeft ondergaan. Het tegen dat besluit ingestelde beroep is door de Raad bij uitspraak van 12 december 2002, nr. 01/874 WUV, ongegrond verklaard.

In februari 2005 heeft appellante opnieuw een aanvraag ingediend met het verzoek haar te erkennen als burger- oorlogsslachtoffer en haar in aanmerking te brengen voor de toeslag ter verbetering van haar levensomstandigheden

(artikel 19 van de Wet).

Appellante heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die zij in verband brengt met hetgeen zij in het voormalige Nederlands-Indië tijdens de oorlog en de daarop volgende zogenoemde Bersiap-periode heeft meegemaakt, te weten gedwongen tewerkstelling in Malang door de Japanners met gedwongen verblijf buitenshuis en tijdens de Bersiap-periode na een ontvoering enkele dagen door een Indonesische familie vastgehouden worden. Daarna zou ze samen met de nog thuiswonende familieleden naar Batavia zijn gevlucht.

Bij besluit van 10 maart 2005, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster op deze aanvraag afwijzend beslist. Daartoe is overwogen dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogs-slachtoffer zoals vermeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet, aangezien in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellante is getroffen door onder de Wet vallend oorlogsgeweld. Met name is overwogen dat het verblijf in de ouderlijke woning en de werkzaamheden die appellante thuis moest verrichten niet onder de werking van de Wet kunnen worden gebracht en voorts dat de vlucht van Malang naar Batavia niet plaats heeft gevonden vanuit een levensbedreigende situatie of onder levensbedreigende omstandigheden, terwijl het vastgehouden worden door een Indonesische familie niet door objectieve gegevens of getuigenverklaringen wordt bevestigd.

Appellante kan zich met het besluit van verweerster niet verenigen. Zij blijft aanvoeren dat zij hetzelfde heeft meegemaakt als enkele familieleden, met name haar zuster [naam zuster 2], die wel zijn erkend als burger-oorlogsslachtoffer.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellante in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet wordt, voor zover hier van belang, onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945, danwel gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden (de zogenoemde Bersiap-periode) in het voormalige Nederlands-Indië als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen tengevolge van met de krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden, dan wel tengevolge van tegen hem gerichte handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.

Uit de gedingstukken blijkt dat verweerster ter verificatie van de gebeurtenissen die appellante bij haar aanvraag heeft genoemd, de haar ter beschikking staande dossiers van met name haar broer [naam broer], haar zuster [naam zuster 2] en haar zuster (tevens gemachtigde) [naam zuster], heeft geraadpleegd. Uit deze dossiers is naar voren gekomen dat appellante thuis voor de Japanners Japanse uniformen moest afwerken en sokken moest breien en ook dat appellante in de Bersiap-periode met haar familie uit voorzorg voor eventuele calamiteiten is gevlucht van Malang naar Batavia, waar zij werden opgevangen op het adres [adres]. Van een ontvoering gedurende drie dagen voorafgaand aan die vlucht heeft verweerster in de stukken geen bevestiging kunnen vinden.

Met verweerster is de Raad van oordeel dat het moeten werken voor de Japanners onder de omstandigheden zoals door appellante gesteld niet onder de werking van de Wet kan worden gebracht nu dit werken niet gepaard is gegaan met een gedwongen verblijf buitenshuis of met bewaking of mishandeling. Dit geldt eveneens voor de vlucht van appellante en haar familie naar Batavia, nu niet is gebleken dat deze vlucht vanuit een levensbedreigende situatie dan wel onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden. Naar vaste jurisprudentie van de Raad betreft het hier algemene oorlogsomstandigheden, waaraan in meer of mindere mate eenieder heeft blootgestaan en die niet zijn aan te merken als direct tegen de aanvrager gerichte handelingen of maat-regelen in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet.

Voor de door appellante naar voren gebrachte ontvoering en gevangenhouding voorafgaande aan de vlucht naar Batavia heeft ook de Raad - evenals verweerster - in de stukken onvoldoende objectieve bevestiging gevonden. De Raad merkt daarbij nog op dat oorlogservaringen niet op grond van uitsluitend eigen verklaringen als voldoende vaststaand kunnen worden aangemerkt maar dat deze verklaringen dienen te worden ondersteund door aanvullende gegevens. Dergelijke gegevens zijn, buiten hetgeen in de relatiedossiers van de familieleden omtrent appellante is aangetroffen, niet verkregen of overgelegd.

Tenslotte merkt de Raad op dat anders dan van de zijde van appellante in beroep is betoogd, geen recht kan worden ontleend aan de omstandigheid dat twee broers en drie zusters van appellante wel zijn erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet, nu de erkenning van die familieleden tot stand is gekomen op grond van andere, door appellante niet meegemaakte oorlogservaringen, zoals afdoende uit de gedingstukken moge blijken. Gezien het vorenstaande heeft verweerster op goede gronden een medisch-inhoudelijke beoordeling achterwege gelaten. Een dergelijke beoordeling komt namelijk eerst dan aan de orde, indien vaststaat dat er sprake is van een gebeurtenis die onder de werking van de Wet valt.

Uit het voorgaande vloeit voort dat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat zodat dit in rechte kan standhouden.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2006.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) E. Heemsbergen.