Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY6086

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2006
Datum publicatie
10-08-2006
Zaaknummer
06-34 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag wegens ernstig plichtsverzuim niet onevenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/34 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 17 november 2005, 04/1156 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Justitie (hierna: Minister)

Datum uitspraak: 20 juli 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. C.W. Simonis, advocaat te Amsterdam. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.P. Schut, werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen van het ministerie van Justitie.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is sinds 17 november 1997 werkzaam als medewerker personeelsbeheer (schaal 6) bij de [naam dienst] van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) van het ministerie van Justitie. Aanvankelijk werkte zij op interim basis; vanaf 1 mei 1998 is zij in vaste dienst aangesteld.

1.2. In een functioneringsgesprek op 27 juni 2000 heeft appellante gevraagd of ze - net als een collega - bevorderd kon worden naar schaal 7. Van de zijde van de Minister is appellante verteld dat bevordering pas kon plaatsvinden als ze geheel zelfstandig alle voorkomende beheerswerkzaamheden kon uitvoeren en zij uitgezonden is geweest naar een lokale personeelsafdeling of als ze een bepaald project zelfstandig heeft uitgevoerd. Op 10 mei 2001 heeft appellante vernomen dat aan een collega 2 extra periodieken zijn toegekend, waarna appellante verontwaardigd naar huis is gegaan en zich heeft ziekgemeld. Na enkele gesprekken heeft appellante op 10 juli 2001 haar werkzaamheden hervat op een andere werkplek en op haar verzoek is zij vanaf 27 augustus 2001 op interim basis geplaatst op een andere afdeling. Vanaf 8 november 2001 is appellante arbeidsongeschikt. Daarna heeft zij niet of nauwelijks meer gewerkt, behoudens de periode van 10 juni 2002 tot 29 juli 2002 waarin zij gedeeltelijk arbeidsgeschikt was.

1.3. Appellante onderhoudt een vriendschappelijke relatie met collega K die werkzaam is bij de afdeling [naam afdeling] van de DJI. Zo nu en dan heeft appellante op haar werkplek brieven en verslagen voor K uitgewerkt ten behoeve van de verhuur van het vakantiehuisje van K. Vanaf eind mei 2001 zou K telefonisch zijn bedreigd door zijn (vrouwelijke) leidinggevende D. Appellante heeft in juli 2001 aan een bedrijfsmaat-schappelijk werker verklaard op 31 mei of 7 juni 2001 tijdens een bezoek aan K op zijn huisadres getuige te zijn geweest van een telefoongesprek waarin bedreigingen werden geuit die onder meer betrekking hadden op appellante en haar kinderen en dat zij de stem van de bedreiger heeft herkend als de stem van D. Nadien is appellante via haar eigen telefoon diverse keren bedreigd door een man die zich voorstelde als D: appellante veronderstelt dat deze persoon de echtgenoot was van D. Voorts heeft appellante regelmatig kaarten ontvangen met bedreigende teksten. Ook K is nog op verschillende wijzen bedreigd. Appellante en K hebben van deze bedreigingen meerdere keren aangifte gedaan bij de politie. Deze bedreigingen hebben tot medio november 2001 voortgeduurd.

D is op 14 februari 2002 overleden ten gevolge van een hartinfarct. In de periode van 23 juli 2002 tot medio december 2002 hebben appellante en K wederom bedreigende kaarten ontvangen, waarvan zij na kortere of langere tijd aangifte hebben gedaan bij de politie.

1.4. In verband met deze beschuldigingen is in augustus 2001 een intern onderzoek ingesteld naar mogelijk niet-integer gedrag van D. D heeft ontkend appellante en K te bedreigen, gezegd niet te begrijpen wat er aan de hand is en de beschuldigingen aan haar adres afgedaan als pure laster. In september 2001 is een onderzoek ingesteld door het Bureau Integriteit en Veiligheid van de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: BI&V). Op 19 februari 2002 heeft BI&V rapport uitgebracht. De rapporteurs zijn tot de conclusie gekomen dat het zeer onwaarschijnlijk is dat D zich schuldig heeft gemaakt aan de telefonische en schriftelijke bedreigingen en dat het zeer aannemelijk is dat K de bedreigingen zelf in scène heeft gezet. Die conclusie is onder meer gebaseerd op de vondst van een diskette, waarop naast een dreigbrief aan het adres van appellante, persoonlijke correspondentie van K stond, alsmede, na specialistisch onderzoek door het Korps landelijke politiediensten, ook nog een aantal concept-dreigbrieven. Voorts was er sprake van overeenkomsten in het woordgebruik en de lay-out van de correspondentie van K en de teksten op de bedreigende kaarten en was er overigens sprake van vele tegen-strijdigheden en ongerijmdheden in de verklaringen van K.

In een gesprek op 9 april 2002 is deze conclusie aan appellante meegedeeld; appellante heeft hier niet op willen reageren. Aan K is bij besluit van 22 augustus 2002 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.

Naar aanleiding van de bedreigingen in de tweede helft van 2002 aan het adres van appellante en de klacht van appellante dat de bedreigingen door de Minister niet serieus waren genomen, heeft de Minister alle beschikbare gegevens nogmaals in beschouwing genomen. Op basis van de resultaten van dat onderzoek heeft de Minister geconcludeerd dat appellante niet het slachtoffer is van bedreigingen, maar dat zij de bedreigingen tezamen met K in scène heeft gezet. Bij brief van 11 maart 2003 heeft de Minister onder meer zijn voornemen tot het opleggen van de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag wegens plichtsverzuim aan appellante kenbaar gemaakt. Aan dat voornemen is onder meer ten grondslag gelegd dat appellante zich samen met K schuldig heeft gemaakt aan het weven van een web van leugens en verzinsels en dat zij de goede naam en reputatie van D ten onrechte systematisch heeft beklad.

1.5. Bij besluit van 13 mei 2003 (besluit 1) heeft de Minister de bezoldiging stopgezet wegens het niet meewerken aan ziekteverzuimbegeleiding. Bij besluit van 16 juli 2003 (besluit 2) heeft de Minister de stopzetting van de bezoldiging per

13 juni 2003 beëindigd. Tegen de besluiten 1 en 2 heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.6. Bij besluit van 30 juli 2003 (besluit 3) is appellante op grond van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) met ingang van 1 augustus 2003 de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit.

2. Bij het thans bestreden besluit van 27 januari 2004 heeft de Minister de bezwaren tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard. In afwijking van het ontslagvoornemen is het strafontslag gebaseerd op het volgende plichtsverzuim: 1. appellante heeft onvoldoende afstand heeft genomen van de zeer ernstige beschuldigingen aan het adres van D; 2. appellante heeft onvoldoende afstand genomen van K, ook nadat voor de Minister vast kwam te staan dat K de dader was; 3. appellante heeft het onderzoek naar de vermeende bedreigingen door D ten onrechte getraineerd en gefrustreerd; 4. appellante heeft ten onrechte de integriteit, deskundigheid en/of onafhankelijkheid van een aantal collega’s en instanties in twijfel getrokken door onder meer collega’s te beschuldigen van de bedreigingen; 5. appellante heeft tegenstrijdige, onvolledige en/of onjuiste verklaringen afgelegd; 6. appellante heeft de regels met betrekking tot het ziekteverzuim herhaaldelijk overtreden en de ziekteverzuimbegeleiding herhaaldelijk gefrustreerd.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard voorzover dat betrekking had op de handhaving van besluit 1 (stop-zetting bezoldiging), het bestreden besluit in zoverre vernietigd, besluit 1 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het in zoverre vernietigde bestreden besluit; het beroep voorzover dat betrekking had op de handhaving van besluit 2 (beëindiging stopzetting bezoldiging) niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voorzover dat betrekking had op de handhaving van besluit 3 (strafontslag) ongegrond verklaard. Voorzover het beroep ongegrond is verklaard, heeft de rechtbank - kort weergegeven - overwogen dat de Minister op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat appellante zich heeft schuldig gemaakt aan het plichtsverzuim zoals hiervoor beschreven onder 2., punten 1 tot en met 5 (plichtsverzuim met betrekking tot de bedreigingen en het onderzoek daarnaar). Het plichtsverzuim genoemd onder punt 6 heeft de rechtbank onvoldoende zwaarwegend geacht. De rechtbank achtte evenwel het plichtsverzuim genoemd onder 1 tot en met 5 zodanig ernstig dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. De gronden van het hoger beroep zijn gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen de handhaving van het besluit 3, waarbij aan appellante de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag is opgelegd.

4.2. Ingevolge artikel 80, eerste lid, van het ARAR kan de ambtenaar die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair worden gestraft. Ingevolge het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets wat een goed ambtenaar behoort na te laten of te doen. De Raad stelt voorop dat in tuchtrechtelijke zaken als de onderhavige volgens vaste jurisprudentie van de Raad niet die strikte bewijsregels gelden die in het strafrecht van toepassing zijn, doch dat voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven wel noodzakelijk is, dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat appellante zich aan de haar verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt.

4.3. In de uitspraak van de Raad van heden, in het geding tussen K en de Minister, nrs. 04/4254 AW en 04/4389 AW, heeft de Raad geoordeeld dat met inachtneming van voornoemde maatstaf de Minister en de rechtbank gevolgd kunnen worden in hun standpunt dat op grond van het uitgevoerde onderzoek voldoende aannemelijk is dat K de bedreigingen in scène heeft gezet. De Raad heeft voorts geoordeeld dat, zelfs als ervan wordt uitgegaan dat dit niet het geval is, het verweten plichtsverzuim van K, bestaande uit het willens en wetens op lasterlijke wijze de goede naam en reputatie van D systematisch in twijfel trekken en publiekelijk bekladden en het binnen de organisatie bekend maken van deze beschuldigingen, hetgeen een aanzienlijke onrust heeft veroorzaakt onder een grote groep medewerkers, op zichzelf genomen van een zodanige ernst is, dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is.

4.4. Met inachtneming van dat oordeel, kan de Raad de Minister volgen in zijn standpunt dat appellante onvoldoende afstand heeft genomen van het beschuldigen door K van D als dader van de bedreigingen en K daarin zelfs heeft gesteund. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellante heeft verklaard en volgehouden dat zij tijdens een huisbezoek aan K de stem van D heeft herkend als degene die telefonische bedreigingen uitte en dat zij nadien is blijven verklaren het vermoeden te hebben dat de telefonische en schriftelijke bedreigingen van D (en haar echtgenoot) afkomstig waren, zonder dat daarvoor enig concreet bewijs voorhanden was. Hierdoor is gedurende lange tijd de verdenking op D blijven rusten. Daarentegen is voornoemde diskette van K gevonden waarvan de Raad in het voornoemde geding tussen K en de Minister heeft geoordeeld het onaannemelijk te achten dat deze diskette door een onbekende derde of vierde is vervalst. Ook nadat K door de Minister was aangewezen als pleger en nadat D was overleden, is appellante blijven volhouden dat de bedreigingen van D afkomstig waren. Met het vorenstaande zijn de goede naam en reputatie van D ten onrechte door appellante in twijfel getrokken en ernstig beklad.

4.5. De Raad is van oordeel dat appellante de uitgebreide onderzoeken die door BI&V zijn verricht onnodig heeft vertraagd en gefrustreerd door tegenstrijdige, onvolledige en/of onjuiste verklaringen af te leggen. Zonder relevante informatie van appellante was het voor de Minister immers niet goed mogelijk een onderzoek te verrichten naar de bedreigingen waarvan appellante en K stelden dat deze afkomstig waren van D of van andere collega’s.

Dat appellante als gevolg van de bedreigingen beangstigd was en zich door de ondervraging tijdens de diverse gesprekken onder druk gezet voelde, had haar er naar het oordeel van de Raad niet van mogen weerhouden om tijdig en accuraat informatie te verstrekken. De omstandigheid dat de bedreigingen voor appellante blijkens het medio 2003 in het kader van de reïntegratie naar werk uitgebrachte psychiatrische rapport traumatisch zijn geweest, kan de Raad niet tot een ander oordeel dienaangaande leiden. De Raad hecht er belang aan in dit kader op te merken dat appellante vanaf de aanvang van het onderzoek en ook tijdens de gesprekken is bijgestaan door advocaten.

4.6. Gelet op het vorenstaande heeft de Minister zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellante zich niet heeft gedragen zoals een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort te doen en zich aldus heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim als omschreven in artikel 80, tweede lid, van het ARAR, zodat de Minister bevoegd was appellante disciplinair te straffen.

4.7. De Raad is van oordeel dat het vorengenoemde plichtsverzuim van een zodanige ernst is dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is. De Raad heeft daarbij in overweging genomen dat zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat K de bedreigingen niet zelf in scène heeft gezet, dat gegeven geen wijziging brengt in het oordeel over het vorengenoemde door appellante gepleegde plichtsverzuim. Ook overigens zijn geen gronden gebleken die aan het opleggen van deze straf in de weg zouden staan.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet kan slagen. De aangevallen uitspraak komt voorzover aangevochten voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.