Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY6019

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2006
Datum publicatie
10-08-2006
Zaaknummer
04-4254 AW en 04-4389 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag wegens ernstig plichtsverzuim (bedreigingen). Besluit stopzetting bezoldiging blijft buiten beschouwing. Procesbelang Minister.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4254 AW en 04/4389 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Minister van Justitie (hierna: Minister), en van

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 juni 2004, 03/1645 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

de Minister

Datum uitspraak: 20 juli 2006

I. PROCESVERLOOP

De Minister en betrokkene hebben beiden hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben van verweer gediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2006. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. C.P. Schut, werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI) van het ministerie van Justitie. Betrokkene is in persoon verschenen, met bijstand van mr. J.P.W. van Bohemen, advocaat te Voorburg.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was sinds 1991 werkzaam bij het ministerie van Justitie, vanaf 1 januari 1999 als [naam functie ] bij de [naam dienst]. Sinds begin 2001 was betrokkene bij wijze van proef belast met het coördinatorschap [afdeling].

1.2. Op 21 mei 2001 heeft tussen betrokkene en zijn leidinggevenden D en R een gesprek plaatsgevonden. Laatstgenoemden hebben verklaard dat betrokkene in dat gesprek heeft aangegeven teleurgesteld te zijn in de [dienst] en het coördinatorschap [afdeling] niet meer te willen bekleden. Betrokkene stelt dat het gesprek een heel andere inhoud had:

D en R hadden hem een verklaring willen laten tekenen dat hij in werktijd privé-werkzaamheden heeft verricht in verband met de verhuur van zijn vakantiehuisje en dat hij zijn bevriende vrouwelijke collega Y daarbij had laten helpen met het typen van brieven en verslagen.

1.3. Betrokkene heeft zich ziek gemeld per 22 mei 2001. Vervolgens zou hij volgens zijn verklaringen telefonisch zijn bedreigd door D en haar echtgenoot, hij zou door auto’s zijn achtervolgd, en D zou hem tijdens een gesprek op zijn werkplek op het ministerie met een pistool hebben bedreigd. Voorts werden hem diverse bedreigende kaarten en een doos met drie met namaakbloed besmeurde voodoopoppen toegezonden. Ook zijn collega Y zou telefonisch en schriftelijk zijn bedreigd. Beiden hebben van een en ander diverse aangiftes gedaan bij de politie. D is op 14 februari 2002 overleden ten gevolge van een hartinfarct. Vanaf 23 juli 2002 hebben betrokkene en Y volgens hun aangifte weer bedreigende kaarten ontvangen.

1.4. Gelet op de ernst van de bedreigingen is in augustus 2001 een intern onderzoek ingesteld naar mogelijk niet-integer gedrag van D. D heeft ontkend betrokkene en zijn collega Y te bedreigen, gezegd niet te begrijpen wat er aan de hand is en de beschuldigingen aan haar adres afgedaan als pure laster. Hierna is door het Bureau Integriteit en Veiligheid van de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: BI&V) een onderzoek ingesteld. Dit bureau heeft op 19 februari 2002 een onderzoeksrapport uitgebracht. De rapporteurs zijn tot de conclusie gekomen dat het zeer onwaarschijnlijk is dat D zich schuldig heeft gemaakt aan de telefonische en schriftelijke bedreigingen en achten het zeer aannemelijk dat betrokkene zelf de bedreigingen in scène heeft gezet. Naar aanleiding van deze rapportage heeft de Minister op 28 maart 2002 het voornemen geuit betrokkene strafontslag te verlenen.

1.5. Voorts is betrokkene bij besluit van diezelfde datum opgedragen mee te werken aan een medisch onderzoek. Nadat betrokkene herhaaldelijk niet was verschenen voor dat onderzoek is zijn bezoldiging bij besluit van 31 juli 2002 stopgezet. Hiertegen is door betrokkene bezwaar gemaakt.

1.6. Bij besluit van 22 augustus 2002 is betrokkene, met toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) wegens zeer ernstig plichtsverzuim gestraft met onvoorwaardelijk ontslag. Ook tegen dit besluit is door betrokkene bezwaar gemaakt.

1.7. Op voorwaarde dat betrokkene alsnog zou meewerken aan een psychologisch/ psychiatrisch onderzoek is bij besluit van 21 november 2002 aan hem met ingang van 14 november 2002 een tegemoetkoming in de kosten van levensonderhoud toegekend, totdat mede aan de hand van de uitslag van het onderzoek op zijn bezwaar tegen het strafontslag zou zijn beslist.

1.8. Het bezwaar van betrokkene tegen het strafontslag is bij het bestreden besluit van 5 maart 2003 ongegrond verklaard. In dat besluit wordt tevens opgemerkt, dat betrokkene het bezwaarschrift tegen het besluit van 31 juli 2002 heeft ingetrokken.

1.9. Tijdens het door de Minister ingestelde vervolgonderzoek naar aanleiding van de doorgaande bedreigingen is de verdenking gerezen dat ook Y zich door de rol die ze in deze zaak heeft gespeeld aan ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Op grond hiervan is aan Y bij besluit van 30 juli 2003 eveneens strafontslag verleend.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

De weergave van feiten in de aangevallen uitspraak

3.1. De Minister heeft de grief geuit dat de feiten in de aangevallen uitspraak te summier en mede daardoor deels onjuist zijn weergegeven. Zo zou bijvoorbeeld, door het niet vermelden van allerlei ander onderzoek dat is uitgevoerd, de indruk worden gewekt dat het (voornemen tot) ontslag uitsluitend gebaseerd is op het onderzoek van het BI&V.

3.2. De Raad stelt vast dat de Minister met de ongegrondverklaring van het beroep van betrokkene in de aangevallen uitspraak materieel volledig in het gelijk is gesteld. In deze grief van de Minister kan de Raad geen enkel direct tot de rechtsstrijd van partijen te herleiden (proces)belang van de Minister bij een oordeel van de Raad ontwaren. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van de Minister desgevraagd ook geen zodanig belang kunnen noemen. Het in de Beroepswet geregelde rechtsmiddel van hoger beroep strekt er naar het oordeel van de Raad niet toe, van de appelrechter, los van een direct tot de rechtsstrijd tussen partijen te herleiden (proces)belang, een verbeterde weergave van de feiten te verkrijgen. Het hoger beroep van de Minister is in zoverre derhalve niet-ontvankelijk.

De stopzetting van bezoldiging

4.1. Beide partijen hebben grieven geuit tegen het feit dat de rechtbank geen overweging heeft gewijd aan het besluit van

31 juli 2002, waarbij de bezoldiging van betrokkene werd stopgezet. De Minister is van mening dat de rechtbank het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk had moeten verklaren: in de eerste plaats omdat de beslissing op bezwaar uitsluitend betrekking had op het strafontslag, nu betrokkene zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 31 juli 2002 had ingetrokken; in de tweede plaats omdat betrokkene geheel heeft verzuimd te motiveren waarom dat besluit niet in stand kan blijven.

Betrokkene heeft bestreden dat het bezwaar zou zijn ingetrokken. Wat betreft het ontbreken van een motivering wijst hij naar de passage in het aanvullend beroepschrift, waarin hij de rechtbank verzoekt al hetgeen hij in de vorige procedures heeft gesteld als herhaald en ingelast te beschouwen.

4.2. Naar het oordeel van de Raad is de rechtbank terecht voorbij gegaan aan het besluit van 31 juli 2002. Het (aanvullend) beroepschrift bevatte, in strijd met artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op dit onderdeel geen beroepsgronden. De enkele verwijzing door betrokkene naar “al hetgeen hij in de vorige procedures heeft aangevoerd” kan niet als een toereikende verwijzing naar eerder geformuleerde bezwaren worden beschouwd. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank dat door beide partijen uitdrukkelijk is verklaard dat het besluit van 31 juli 2002 in dit geding niet ter beoordeling staat. In die situatie kon de rechtbank zich beperken tot een beoordeling van het strafontslag. Deze grieven treffen derhalve geen doel. Het hoger beroep van partijen kan in zoverre niet slagen.

Het strafontslag

5.1. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat de Minister onvoldoende tastbare bewijzen heeft geleverd om aan te nemen dat hij de bedreigingen zelf in scène heeft gezet. De Minister zou onvoldoende actief zijn geweest bij het onderzoek van bepaalde aspecten van de zaak, zoals de handschriften op de enveloppen waarin dreigkaarten werden verzonden. Voorts zou het onderzoek te eenzijdig gericht zijn geweest op betrokkene, en te weinig op de mogelijke betrokkenheid van

D en/of een onbekende derde of vierde persoon.

5.2. De Raad stelt voorop dat in tuchtrechtelijke zaken als de onderhavige volgens vaste jurisprudentie van de Raad niet die strikte bewijsregels gelden die in het strafrecht van toepassing zijn, doch dat voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven wel noodzakelijk is, dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen, dat betrokkene zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt. Met inachtneming van deze maatstaf kan de Raad de Minister en de rechtbank volgen in hun standpunt, dat voldoende aannemelijk is dat betrokkene de bedreigingen zelf in scène heeft gezet.

5.3. De Raad ziet geen grond voor het verwijt, dat de Minister onvoldoende diepgaand onderzoek heeft doen verrichten. Daarbij neemt de Raad niet alleen het onderzoeks-rapport van het BI&V in aanmerking, maar ook de zeer uitvoerige uiteenzetting over het aanvullend onderzoek dat de Minister naar alle (beweerde) gebeurtenissen heeft doen instellen. Het concrete voorbeeld van het handschriftonderzoek, waar de Minister in gebreke zou zijn gebleven, acht de Raad voldoende weerlegd met de verklaring van het door de Minister geraadpleegde Nederlands Forensisch Instituut, dat dit zoeken zou zijn naar een speld in een hooiberg.

5.4. Ook van een eenzijdige gerichtheid van het onderzoek op betrokkene en op Y is de Raad niet gebleken. Uit de gedingstukken blijkt, dat het onderzoek is begonnen naar aanleiding van een melding van niet-integer gedrag van zijn leidinggevende D. Betrokkene is aanvankelijk als slachtoffer van de bedreigingen beschouwd en behandeld, en pas geleidelijk is twijfel over zijn rol ontstaan. Ten aanzien van zijn collega Y is die twijfel nog weer later gerezen. Het ligt in de rede dat naar aanleiding van die twijfel het onderzoek zich meer op betrokkene en vervolgens ook op Y is gaan concentreren, maar ook dan, zo blijkt uit diverse gedingstukken, is er bij de Minister aandacht gebleven voor mogelijke alternatieve verklaringen.

5.5. Wat betreft de tastbare bewijzen kent ook de Raad grote waarde toe aan de vondst van de diskette waarop zich een dreigbrief aan het adres van Y, persoonlijke correspondentie van betrokkene en een aantal concept-dreigbrieven bevonden. Ook de Raad acht het - mede gelet op de vele andere onwaarschijnlijkheden, tegenstrijdigheden en witte vlekken in de verklaringen van betrokkene - onaannemelijk dat de inhoud van deze diskette, met inbegrip van alle voor betrokkene kenmerkende details in opmaak, typografie, taalfouten en afwijkend taalgebruik, door een onbekende derde of vierde persoon zou zijn vervalst.

5.6. Daarbij wijst de Raad erop, dat betrokkene niet alleen geen spoor van bewijs heeft geleverd voor de betrokkenheid van D, van haar echtgenoot en/of van een onbekende persoon, maar ook in gebreke is gebleven om een acceptabele verklaring te geven voor de vele tegenstrijdigheden in zijn verklaringen of om anderszins voor de hand liggende concrete bewijzen te leveren die de op hem rustende verdenking zouden kunnen wegnemen. Betrokkene heeft slechts volstaan met het opwerpen van herhaaldelijk wisselende onbewezen verklaringen over de mogelijke toedracht van een en ander.

6.1. Als plichtsverzuim is aan betrokkene verweten: (1) dat hij willens en wetens, op lasterlijke wijze, de goede naam en reputatie van D systematisch in twijfel heeft getrokken en publiekelijk heeft beklad; (2) dat hij zich jegens Y heeft schuldig gemaakt aan intimidatie en discriminatie, en bedreigingen met de dood; (3) dat hij met zijn optreden en het feit dat hij niet heeft geschroomd om ook aan collega’s te vertellen wat er volgens hem aan de hand was, een aanzienlijke onrust heeft veroorzaakt onder een grote groep medewerkers; (4) dat hij valse aangifte heeft gedaan bij de politie en ook overigens verklaringen heeft afgelegd die niet op waarheid berusten.

6.2. De Raad is van oordeel dat, ook indien ervan wordt uitgegaan dat betrokkene de bedreigingen niet zelf in scène heeft gezet, en in verband daarmee de onderdelen (2) en (4 voor wat betreft de valse aangifte) niet voldoende bewezen worden geacht, de resterende onderdelen van het aan betrokkene verweten plichtsverzuim van een zodanige ernst zijn dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat betrokkene blijkens het over hem uitgebrachte psychologisch/psychiatrisch rapport aansprakelijk kan worden gehouden voor zijn gedrag. Ook overigens zijn geen gronden gebleken die aan het opleggen van deze straf in de weg staan.

7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van betrokkene ook op dit onderdeel niet kan slagen. Zoals in 3.2. en 4.2. is overwogen treft ook het hoger beroep van de Minister geen doel. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

8. Van de Staat der Nederlanden dient op grond van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet griffierecht te worden geheven. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat van de Staat der Nederlanden een griffierecht van € 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) E.W.F.Menkveld-Botenga.