Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY5957

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-07-2006
Datum publicatie
09-08-2006
Zaaknummer
05-7148 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing periodieke uitkering toe te kennen. Is vrijheidsberoving in de zin van de wet ondergaan?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7148 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], Manado (Indonesië) (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 27 juli 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 27 september 2005, kenmerk JZ/W60/2005, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2006. Appellant is niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft appellant, geboren [in] 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, in maart 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de Wet. In dit verband heeft appellant gesteld dat hij samen met zijn familie, waaronder zijn ouders en grootouders, tijdens de Japanse bezetting gevangen heeft gezeten aanvankelijk in een kamp, genaamd Pintu Sepuluh Delapan op Ambon en later in een kamp op Ceram. Daar zou zijn vader zijn ontsnapt, wat ertoe zou hebben geleid dat zijn moeder door de Japanners werd dood-gemarteld. Ook zijn opa is in dat kamp overleden. Zijn vader heeft na de oorlog bij het KNIL gediend.

Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 8 april 2005, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat niet vastgesteld is kunnen worden dat appellant vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen daartegen in beroep door appellant is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Ingevolge artikel 2 van de Wet wordt, voor zover hier van belang, onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing of homoseksualiteit, dan wel hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling, welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke verblijfplaatsen.

Blijkens de gedingstukken zijn met betrekking tot de oorlogservaringen van appellant ook na zorgvuldig onderzoek van de zijde van verweerster geen objectieve gegevens beschikbaar gekomen die bevestigen dat appellant tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië geïnterneerd is geweest. Doorslaggevend daarbij acht de Raad dat het informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis in de vanwege deze organisatie geraadpleegde bronnen en de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, die de beschikking heeft over onder meer de archieven van Overzeese Pensioenen, geen gegevens over appellant hebben aangetroffen die de gestelde internering van appellant bevestigen. Een verblijf van appellant in de aan verweerster bekende kampen is niet komen vast te staan en het door appellant genoemde kamp op Ambon is verweerster niet bekend, op Ceram waren ten tijde van de Japanse bezetting geen burgerinterneringskampen bekend. Er zijn wel stamboekgegevens van de vader van appellant aangetroffen maar daarin wordt niets vermeld over de periode van de Japanse bezetting. Ook getuigenverklaringen ontbreken en gegevens die het relaas van appellant zouden kunnen bevestigen zijn niet aangetroffen in de andere verweerster ter beschikking staande archieven.

Gelet op het vorenstaande heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat appellant tijdens de bezettingsjaren vrijheidsberoving in de zin van de Wet heeft ondergaan. In dit verband verwijst de Raad tevens naar zijn vaste rechtspraak waarbij het uitgangspunt van verweerster is onderschreven dat, zeer bijzondere gevallen daargelaten, een door betrokkene gemeld vervolgingsrelaas niet uitsluitend op diens eigen verklaring als voldoende vaststaand kan worden aangemerkt. Een dergelijk relaas dient te worden ondersteund door aanvullende objectieve gegevens en die ontbreken in het geval van appellant. Voor het overige biedt de Wet geen mogelijkheid om op andere gronden dan hierboven aangegeven, erkenning als vervolgde te verlenen.

Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte stand kan houden.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2006.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) E. Heemsbergen.