Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY5947

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2006
Datum publicatie
09-08-2006
Zaaknummer
05-7256 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kosten sociaal vervoer in verband met bezoeken van in verpleeghuis opgenomen echtgenote. Geen beperkingen in gebruik openbaar vervoer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7256 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 3 augustus 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 30 november 2005, kenmerk JZ/I/70/2005, genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2006. Aldaar is appellant, zoals tevoren was aangekondigd, niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, uit Joodse ouders geboren [in] 1926, is bij besluit d.d. 30 maart 1990 van verweersters rechtsvoorganger, de Uitkeringsraad, met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet gelijk gesteld met de vervolgde in de zin van de Wet. Daarbij is aanvaard dat bij appellant sprake is van psychische klachten die redelijkerwijs het gevolg zijn van zijn ervaringen tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Aan appellant zijn een periodieke uitkering toegekend en diverse voorzieningen in verband met deze psychische klachten, waaronder een tegemoetkoming in de kosten van sociaal vervoer. Met ingang van

1 januari 2002 is aan appellant een tegemoetkoming toegekend in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer, zulks onder intrekking per gelijke datum van de eerder aan hem verstrekte tegemoetkoming in de kosten van sociaal vervoer.

In juni 2005 heeft appellant verweerster verzocht hem in aanmerking te brengen voor een voorziening in de extra vervoerskosten, die hij heeft in verband met de dagelijkse bezoeken die hij brengt aan zijn in het verpleeghuis opgenomen echtgenote. Dit verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 1 september 2005, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat er voor deze voorziening geen in de causale psychische klachten van appellant gelegen medische noodzaak aanwezig is, aangezien hij geen beperkingen ondervindt in het gebruik van het openbaar vervoer.

De Raad overweegt als volgt.

Naar uit het vorenstaande blijkt is aan appellant door verweerster een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer toegekend. In deze combinatie-voorziening die op grond van artikel 21 van de Wet wordt toegekend, acht verweerster onder meer een tegemoetkoming in de kosten van sociaal vervoer begrepen. Naast een toegekende tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer acht verweerster een afzonderlijke voorziening in de kosten van sociaal vervoer uitsluitend nog mogelijk op grond van artikel 20 van de Wet. De Raad heeft reeds eerder deze benadering van verweerster als niet onredelijk beoordeeld.

Het geschil tussen partijen spitst zich derhalve toe op de vraag of appellant voldoet aan de door verweerster gehanteerde criteria voor toekenning van een vergoeding op grond van artikel 20 van de Wet van de kosten van sociaal vervoer. Deze toekenningscriteria, die door de Raad steeds aanvaardbaar heeft geacht, houden - kort weergegeven - in dat slechts in aanmerking komt voor een vergoeding van de kosten van sociaal vervoer diegene die ten gevolge van zijn causale klachten zodanige beperkingen ondervindt in het gebruik van het openbaar vervoer dat hij is aangewezen op vervoer per eigen auto of taxi. Verweerster heeft in navolging van haar geneeskundig adviseurs geoordeeld dat deze situatie zich in het geval van appellant niet voordoet en ook de Raad heeft in de gedingstukken van medische aard voor dit standpunt voldoende onderbouwing kunnen vinden.

Appellant heeft niet bestreden dat het voor hem mogelijk is om gebruik te maken van het openbaar vervoer. Hij heeft aangevoerd dat bij zijn dagelijkse bezoeken aan zijn echtgenote het gebruik van het openbaar vervoer voor hem niet bruikbaar is, aangezien het verpleeghuis waar zijn echtgenote verblijft zich bevindt op een heuvel, ver weg van de dichtst bijzijnde bushalte en slechts langs een moeilijk te belopen route bereikbaar. In deze omstandigheden heeft verweerster naar het oordeel van de Raad terecht geen grond gezien om appellant in aanmerking te brengen voor een vergoeding op grond van artikel 20 van de Wet van de extra kosten van sociaal vervoer, nu een verband met de uit de oorlogsomstandig- heden voortvloeiende psychische klachten van appellant ten enenmale ontbreekt. Naar het oordeel van de Raad betreft het hier praktische problemen van bereikbaarheid, die samenhangen met de ligging van het verpleeghuis. Dergelijke omstandigheden dienen in het kader van de toepassing van de Wet buiten aanmerking te worden gelaten. Het voorgaande laat onverlet dat de Raad begrip heeft voor de moeilijke situatie waarin appellant zich bevindt als gevolg van de slechte lichamelijke en geestelijke toestand waarin zijn echtgenote verkeert en gaarne wil aannemen dat de dagelijkse bezoeken aan zijn echtgenote voor appellant in verband met zijn psychische gesteldheid noodzakelijk zijn. Dit begrip kan de Raad evenwel niet leiden tot gegrond verklaring van het beroep.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2006.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) J.P. Schieveen.