Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY5676

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2006
Datum publicatie
04-08-2006
Zaaknummer
04-2414 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omvang geding. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/2414 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Duitsland) (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 25 maart 2004, 03/729 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 juli 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2006. Appellant is, met kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van "De Samenwerking" Bedrijfsvereniging voor het Slagers- en Vleeswarenbedrijf, de Groothandel in Vlees en de Pluimveeslachterijen.

Bij uitspraak van de Raad van 22 februari 1995 is definitief komen vast te staan dat het Uwv ten onrechte heeft geweigerd appellant met ingang van 24 augustus 1990 uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) te verstrekken. Deze uitspraak heeft geleid tot nabetaling van ziekengeld, uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en vergoeding van wettelijke rente. De basis voor deze nabetalingen is neergelegd in diverse besluiten, die hebben geleid tot diverse uitspraken van de rechtbank en de Raad. Voor de onderhavige zaak is van belang dat appellant bij brief van 25 januari 2000 het Uwv aansprakelijk heeft gesteld voor de schade die hij heeft geleden omdat in 1990/1991 ten onrechte ziekengeld is geweigerd. Appellant claimt vakantiegeld over het uitbetaalde ziekengeld (verzoek a), aanvulling tot 100% van zijn loon (verzoek b) en vergoeding van de schade die hij heeft geleden omdat destijds is nagelaten te onderzoeken of er mogelijkheden bestonden voor vervangende werkzaamheden die appellant met zijn ziekte wel kon verrichten bij zijn toenmalige werkgever (verzoek c), alsmede wettelijke rente over de na te betalen bedragen.

Het Uwv heeft bij twee afzonderlijke besluiten van 5 oktober 2000 geweigerd een beslissing te nemen ten aanzien van de verzoeken a en c, omdat daarover reeds eerder is beslist bij besluiten van respectievelijk 4 december 1995, 14 november 1997 en 29 mei 1998 (besluit 1) en verzoek b afgewezen omdat de schade die wordt geclaimd een claim betreft van appellant ten opzichte van zijn werkgever en de arbeidsrechtelijke gevolgen van een foutief besluit niet voor vergoeding door het Uwv in aanmerking komen (besluit 2).

Het Uwv heeft het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard bij besluit van 22 december 2000 en het bezwaar tegen besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 15 februari 2001.

De rechtbank Zutphen heeft bij uitspraak van 1 juli 2002 de beroepen tegen de besluiten van 22 december 2000 en 15 februari 2001 gegrond verklaard en die besluiten vernietigd. Ten aanzien van het vernietigde besluit van 22 december 2000 heeft de rechtbank het Uwv opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het Uwv niet kan weigeren een besluit te nemen, maar hooguit met een beroep op artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar een eerder genomen besluit. Het besluit van 15 februari 2001 heeft de rechtbank vernietigd, omdat volgens de rechtbank het Uwv ten onrechte heeft aangenomen dat appellant bezwaar heeft gemaakt tegen besluit 2. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 juli 2002. De Raad heeft bij uitspraak van 24 maart 2004 het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant zijn hoger beroep niet binnen de beroepstermijn van zes weken heeft ingesteld. Het verzet van appellant tegen die uitspraak heeft de Raad bij uitspraak van 8 oktober 2004 ongegrond verklaard.

Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 1 juli 2002 heeft het Uwv bij besluit van 16 april 2003 (het bestreden besluit) het bezwaar tegen besluit 1 gegrond verklaard vanwege een onjuiste grondslag van dat besluit en de herhaalde aanvraag bestaande uit de verzoeken a en c afgewezen, onder toepassing van artikel 4:6 van de Awb en onder verwijzing naar de eerdergenoemde besluiten van respectievelijk 4 december 1995, 14 november 1997 en 29 mei 1998.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat het Uwv gehouden is het ziekengeld aan te vullen tot 100% van zijn laatstelijk verdiende loon en dat het Uwv destijds ten onrechte heeft nagelaten onderzoek te doen naar vervangende werkzaamheden voor appellant bij de werkgever.

De Raad zal zich allereerst uitlaten over de omvang van het geding.

De buitengrens van een geding wordt bepaald door de inhoud van het bestreden besluit. In het thans bestreden besluit is geen beslissing gegeven over een bezwaar tegen besluit 2. Het Uwv heeft terecht geen beslissing daarover gegeven, gelet op de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 1 juli 2002 waarbij is overwogen dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen besluit 2. Door de uitspraak van de Raad van 8 oktober 2004 is besluit 2 rechtens onaantastbaar geworden. Voorgaande overwegingen betekenen dat de grief van appellant betrekking hebbend op verzoek b niet hoeft te worden besproken.

Ten aanzien van de overgebleven grief van appellant, welke grief betrekking heeft op verzoek c, overweegt de Raad het volgende.

Bij besluit van 29 mei 1998 heeft het Uwv afwijzend beslist op een aanvraag van appellant om schadevergoeding als gevolg van het niet zoeken naar vervangende arbeid. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden door een uitspraak van de Raad van 6 maart 2002. Op 25 januari 2000 heeft appellant een nieuwe aanvraag van dezelfde strekking ingediend. Hij heeft daarbij aangevoerd dat het Uwv dit destijds heeft nagelaten omdat het Uwv er ten onrechte van uitging dat appellant niets mankeerde. De Raad is van oordeel dat het vorenstaande niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb, nu appellant deze omstandigheid ook reeds in de eerdere aanvraag om schadevergoeding naar voren heeft gebracht.

Gedaagde was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 29 mei 1998. In hetgeen door appellant is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2006.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) J.J. Janssen.

MK