Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY5526

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2006
Datum publicatie
02-08-2006
Zaaknummer
05-3705 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluiten zijn niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. De vraag of van een (verschoonbare) termijnoverschrijding sprake is is niet aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2006, 316
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3705 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 19 mei 2005, 04/1887 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellante

Datum uitspraak: 28 juli 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2006. Appellante was vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven, omdat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat, nadat appellante aan betrokkene begin juni 2004 afschriften van de besluiten van 14 mei 2004 en 28 mei 2004 had toegezonden, betrokkene een volledige termijn van zes weken – startend de dag na die verzending – toekomt om een bezwaarschrift tegen die besluiten in te dienen. Appellante is onder verwijzing naar artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van opvatting dat in het geval een betrokkene op een later tijdstip op de hoogte komt van het bestaan van besluiten die hij wenst te bestrijden, hij dit zo spoedig als mogelijk, waarbij appellante denkt aan een termijn van 14 dagen, dient te doen.

Nu betrokkene dat niet heeft gedaan, is appellante van mening dat zij betrokkene bij besluit van 6 september 2004 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaren tegen de besluiten van 14 mei 2004 en 28 mei 2004.

De Raad verwijst voor de feiten en omstandigheden van belang in dit geschil naar de aangevallen uitspraak en overweegt ter zake van het door appellante gestelde als volgt.

Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Bekendmaking van besluiten gericht tot een of meer belanghebbenden geschiedt ingevolge artikel 3:41 van de Awb door toezending of uitreiking aan hen.

Niet in geschil is dat appellante niet kan aantonen dat zij haar besluiten van 14 mei 2004 en 28 mei 2004, waarbij appellante ten aanzien van betrokkene beslissingen heeft genomen omtrent het ontstaan van schulden wegens het niet retourneren van formulieren “Controle Ziektekosten” en “Controle Studie”, aan betrokkene heeft verzonden.

Mitsdien kan niet worden vastgesteld dat beide besluiten op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt. Dit heeft tot gevolg dat de termijn voor het indienen van bezwaar tegen deze besluiten, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, niet is aangevangen.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante betrokkene afschriften van de besluiten van 14 mei 2004 en 28 mei 2004 op of kort na 4 juni 2004 heeft toegezonden. Eerst bij deze verzending heeft, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, de eerste bekendmaking ex artikel 3:41 van de Awb plaatsgevonden, zodat ook eerst op de dag na die verzending de termijn van zes weken voor het indienen van een bezwaarschrift is aangevangen.

Het door appellante in hoger beroep ingenomen standpunt miskent dat in dit geval geen sprake is van een tweede verzending in juni 2004 van de besluiten, maar van een eerste verzending. Nu niet in geschil is dat het bezwaarschrift van betrokkene tegen de besluiten van 14 mei 2004 en 28 mei 2004 binnen 6 weken na de verzending in juni 2004 is ingediend, komt de vraag of van (verschoonbare) termijnoverschrijding sprake is niet aan de orde.

Het door appellante in hoger beroep ingenomen standpunt is mitsdien onjuist en kan dan ook niet tot vernietiging van de uitspraak leiden.

Termen voor een proceskostenveroordeling zijn niet aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat van Informatie Beheer Groep een griffierecht van € 422,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.