Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY5444

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2006
Datum publicatie
02-08-2006
Zaaknummer
05-64 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit tot terugvordering of verrekening studiefinanciering van uitwonende studerende die enkel recht had op thuiswonende studiefinanciering.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000
Wet studiefinanciering 2000 1.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/64 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 26 november 2004, 04/422 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 28 juli 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J. Visser, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. Visser. De IB-Groep was vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter.

II. OVERWEGINGEN

Aan appellant is op zijn verzoek per 1 oktober 2001 toegekend studiefinanciering voor een uitwonende studerende.

Bij brief van 28 november 2003 heeft de directeur Sociale Zaken van de gemeente Breda de IB-Groep medegedeeld dat in het kader van de vaststelling van de hoogte van de bijstandsuitkering van de vader van appellant naar voren is gekomen dat appellant studiefinanciering voor een uitwonende studerende ontving, maar thuis woonde. Appellant heeft eerst in augustus 2003 het ouderlijk huis verlaten om zelfstandig te gaan wonen.

Bij besluiten van 19 december 2003 heeft de IB-Groep aan appellant voor de periode van 1 oktober 2001 tot 1 september 2003 studiefinanciering verstrekt voor een thuiswonende studerende, het bedrag vastgesteld dat appellant te veel aan toelage heeft ontvangen, medegedeeld dat dit bedrag een kortlopende schuld is geworden en aangegeven dat het bedrag zo mogelijk wordt verrekend en indien dit niet mogelijk is, moet worden terugbetaald.

Bij beslissing op bezwaar van 13 januari 2004 heeft de IB-Groep de bezwaren van appellant tegen de besluiten van

19 december 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen de beslissing op bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank is - kort samengevat - tot het oordeel gekomen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het standpunt van de IB-Groep dat appellant in de periode 1 oktober 2001 tot 1 september 2003 niet uitwonend was onjuist was.

In hoger beroep heeft appellant op de in het aanvullend beroepschrift opgenomen gronden betoogd dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad overweegt het volgende.

Appellant heeft - zoals verklaard door de directeur Sociale Zaken van de gemeente Breda in zijn brief aan de IB-Groep van

22 oktober 2004 en door appellant niet weersproken - gedurende de in geding zijnde periode tot 4 augustus 2003 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven gestaan op het adres van zijn ouders.

Voorts hebben zijn ouders bij de zogenoemde Periodieke verklaring Algemene Bijstandswet, gedateerd 21 augustus 2003, onder meer aangegeven dat appellant per 1 augustus 2003 het ouderlijk huis heeft verlaten.

In zo een situatie kan de IB-Groep, zoals zij in dit geval ook heeft gedaan, ervan uitgaan dat appellant in de betreffende periode thuiswonend was. Het is aan appellant om in zo’n geval aan te tonen dat hij ondanks de inschrijving in de GBA en de verklaring van zijn ouders niettemin uitwonend was.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant hierin niet is geslaagd. De omstandigheid dat de reisafstand tussen het ouderlijk huis en de school en de stageplaats aanzienlijk is, is hiertoe onvoldoende. De Raad sluit overigens geenszins uit dat appellant indien hem dit uitkwam bij zijn zus, die op betrekkelijk korte afstand van de school en de stageplaats woonde, overnachtte, maar ook daaruit kan niet volgen dat appellant niet langer bij zijn ouders woonachtig was.

Onder de vorengeschetste omstandigheden faalt het hoger beroep van appellant. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.