Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY5357

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2006
Datum publicatie
01-08-2006
Zaaknummer
04-4034 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugwijzing naar rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2006, 285
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4034 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juni 2004, 03/1909 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

Datum uitspraak: 28 juli 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 29 januari 2003 heeft appellant aan betrokkene een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Het daartegen ingestelde bezwaar is bij het bestreden besluit van 16 juni 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft met betrekking tot bovengenoemd geding in de aangevallen uitspraak, waarin appellant als verweerder is aangeduid en betrokkene als eiser, het volgende overwogen:

“Beoordeeld dient te worden of de beperkingen correct zijn vastgesteld en of eiser, rekening houdend met zijn beperkingen, in staat is de hiervoor bedoelde gangbare arbeid te verrichten, hetgeen door eiser wordt betwist.

Ter zitting is gebleken dat verweerder met betrekking tot de beperkingen de linkerkant met de rechterkant heeft verward. Dit heeft tot gevolg dat het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd en op grond daarvan naar het oordeel van de rechtbank vernietigd dient te worden.”

Appellant heeft in hoger beroep het volgende aangevoerd:

“Wij zijn van mening dat de rechtbank, gelet op de eenduidigheid van de gedingstukken, niet zonder meer tot de conclusie heeft kunnen komen dat met betrekking tot de beperkingen de linkerkant met de rechterkant was verward”.

De Raad overweegt als volgt.

Uit het proces-verbaal van de zitting en de aangevallen uitspraak blijkt slechts dat betrokkene naar voren heeft gebracht dat zijn rechterarm beperkt is te gebruiken. Die bewering is in lijnrechte tegenspraak met de beschikbare medische gegevens en de eigen stellingen van betrokkene in bezwaar, waarin telkens is aangegeven dat de functie van de linkerarm beperkt is. Onder deze omstandigheden onderschrijft de Raad het betoog van appellant dat in de aangevallen uitspraak niet naar behoren is gemotiveerd waarom de rechtbank ervan is uitgegaan dat de verzekeringsarts de rechter- en linkerarm heeft verward.

Voor zover de rechtbank zich heeft gebaseerd op haar eigen waarneming ter zitting, dat betrokkene met zijn linkerarm aan zijn gemachtigde een stuk aanreikte, en de door hem voor deze door de rechter opgemerkte discrepantie gegeven verklaring, blijkt van deze waarneming niet uit het proces-verbaal. Het bijzondere van de eigen waarneming van de rechter is dat bij gebruikmaking ervan in de uitspraak het ’beschikbare’ en het ’gebruikte’ bewijsmiddel niet van elkaar te onderscheiden zijn, als niet in het proces-verbaal van de terechtzitting expliciet melding wordt gemaakt van de waarneming van de rechter. Het is wenselijk dat de rechter een door hem gedane waarneming op de zitting uitdrukkelijk ter discussie stelt en hiervan doet blijken in het proces-verbaal. De Raad tekent daarbij nog aan dat de rechter de medische deskundigheid mist op grond van de vorenbedoelde waarneming de conclusie te kunnen trekken dat de verzekeringsarts de linker - en rechterarm heeft verward. Voor het ter zitting waargenomen gebruik van de linkerarm zijn immers ook andere verklaringen denkbaar dan door betrokkene is gegeven. Eén en ander klemt te meer waar het Uwv voortdurend en onderbouwd met medische rapportages heeft gesteld dat betrokkene weliswaar door pijnklachten enige bewegingsbeperking aan de linkerarm ondervindt, maar heeft bestreden de bewering van appellant dat die arm is verlamd.

Dit heeft tot gevolg dat de aangevallen uitspraak vanwege ontoereikende motivering vernietigd dient te worden.

Aangezien de zaak naar het oordeel van de Raad nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal de Raad de zaak met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet naar de rechtbank terugwijzen.

De Raad is niet gebleken van gemaakte proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak ter verdere behandeling terug naar de rechtbank Rotterdam.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M. Gunter.

GG120706