Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY5140

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2006
Datum publicatie
27-07-2006
Zaaknummer
05-4272 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is herziening en terugvordering Studiefinanciering juist? Wijziging ouderlijke bijdrage.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4272 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 23 juni 2005, reg.nr. 04/2177 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellante

Datum uitspraak: 21 juli 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2006. Appellante was vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Naber.

Betrokkene is in persoon verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 20 november 2003 heeft appellante gehandhaafd het besluit van 3 oktober 2003, waarbij in verband met de wijziging in de situatie van de ouders van betrokkene de veronderstelde ouderlijke bijdrage is verhoogd en de aanvullende beurs over de periode januari tot en met augustus 2003 met een evenredig bedrag is verlaagd, als gevolg waarvan hij een bedrag van € 1.675,92 te veel heeft ontvangen.

Bij uitspraak van 14 oktober 2004 heeft de rechtbank Alkmaar het door betrokkene tegen het besluit van 20 november 2003 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 november 2003 vernietigd, appellante opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen en bepaald dat de Informatie Beheer Groep het griffierecht dient te vergoeden.

De uitspraak rust mede op de overweging dat in een situatie dat het recht op studiefinanciering met terugwerkende kracht wordt herzien het op de weg van appellante ligt om, alvorens (ten volle) gebruik te maken van de bevoegdheid tot herziening van het recht op studiefinanciering, na te gaan of de onjuiste toekenning voor betrokkene redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn en of betrokkene redelijkerwijs had kunnen voorkomen dat hem ten onrechte studiefinanciering werd verstrekt.

Bij de beantwoording van de vraag of appellante van haar bevoegdheid tot herziening gebruik zal maken, dienen naar het oordeel van de rechtbank de resultaten van vorenbedoeld onderzoek een rol te spelen.

Appellante en betrokkene hebben in deze uitspraak berust.

Bij besluit van 27 oktober 2004 heeft appellante het door betrokkene ingediende bezwaar tegen het besluit van 3 oktober 2003 opnieuw ongegrond verklaard.

Appellante heeft dit besluit doen steunen op de overweging dat het voor het gebruik van de herzieningsbevoegdheid ex artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) niet van belang is of betrokkene op de hoogte was van de omstandigheid dat hem ten onrechte studiefinanciering was toegekend.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard, het besluit vernietigd, bepaald dat appellante binnen 6 weken met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen een nieuw besluit dient te nemen en bepaald dat de Informatie Beheer Groep het griffierecht vergoedt.

De rechtbank heeft deze uitspraak – kort samengevat – wederom doen steunen op de overweging dat het met terugwerkende kracht herzien van het recht op studiefinanciering in strijd met het vertrouwens- en rechtzekerheidsbeginsel is, tenzij betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte uitkering werd verstrekt. Naar het oordeel van de rechtbank is appellante ten onrechte tot de opvatting gekomen dat een en ander voor de toepassing van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 niet relevant is.

Appellante is in hoger beroep gekomen. Zij is – kort samengevat – van mening dat bij toepassing van de in geding zijnde herzieningsgrond het antwoord op de vraag of het voor betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat het recht op een aanvullende beurs onjuist was vastgesteld niet relevant is.

Betrokkene heeft er op gewezen dat de rechtbank bij haar uitspraak van 14 oktober 2004 al heeft geoordeeld dat de Informatie Beheer Groep een onjuist besluit heeft genomen. Hij acht het onjuist dat appellante deze uitspraak naast zich neer legt.

Appellante heeft desgevraagd ter zitting erkend dat met het besluit van 27 oktober 2004 geen uitvoering is gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 14 oktober 2004.

De Raad overweegt als volgt.

Nu appellante in de uitspraak van de rechtbank van 14 oktober 2004 heeft berust, dient zij in beginsel aan deze uitspraak uitvoering te geven. Van dit beginsel kan worden afgeweken in de situatie dat een uitspraak onuitvoerbaar is. Daarvan is in dit geval geen sprake.

Het besluit van 27 oktober 2004 is mitsdien rechtens onjuist.

De aangevallen uitspraak dient dan ook, zij het met verbetering van de gronden, te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Bepaalt dat van de Informatie Beheer Groep een griffierecht van € 422,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.