Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY4977

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2006
Datum publicatie
27-07-2006
Zaaknummer
05-481 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag in het kader van de maatregel overgang wachtgeld-UKW. Beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/481 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 8 december 2004, 04/4511 en 04/4512 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: Staatssecretaris)

Datum uitspraak: 6 juli 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. de Haas, werkzaam bij VBM/NOV. De Staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y. van Wezel, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, sergeant majoor bij de subdienstgroep Bijzondere Diensten Geschutkonstabel (BDGSK) en geboren in 1956, heeft in maart 2004 verzocht om per 1 augustus 2004 gebruik te mogen maken van de maatregel overgang wachtgeld-UKW, opgenomen in het Sociaal Beleidskader Defensie (hierna: SBK) dat op 1 januari 2004 in werking is getreden. Op grond van deze maatregel kan aan de militair die ten hoogste 3 jaar verwijderd is van de datum van het voor hem geldende leeftijdsontslag de mogelijkheid worden geboden om zoveel mogelijk “vrijwillig” (d.w.z. zoveel mogelijk met zijn instemming) ontslag te worden verleend met aanspraak op wachtgeld, zoals bedoeld in hoofdstuk VI, punt 6.2. In het SBK is voorts vermeld dat toepassing van deze maatregel met name zal plaatsvinden bij de geïdentificeerde knelpuntcategoriën. Daarbuiten wordt de regeling als een managementinstrument aangemerkt, hetgeen betekent dat de uiteindelijke beslissing of iemand van de regeling gebruik kan maken bij de organisatie berust. Bij besluit van 10 mei 2004 is het verzoek van appellant afgewezen, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 28 oktober 2004.

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: de rechtbank) heeft, voorzover hier van belang, het tegen dit besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen door appellant tegen deze uitspraak omtrent de proceskosten is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Appellant heeft bij de rechtbank aanvankelijk beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar, welk beroep met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht is geacht tegen het alsnog genomen besluit op bezwaar van 28 oktober 2004. Appellant heeft er in hoger beroep terecht op gewezen dat de rechtbank heeft nagelaten om met betrekking tot zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar een proceskostenveroordeling uit te spreken. Vast staat immers dat de Staatssecretaris ten tijde van het instellen van dat beroep de termijn waarbinnen hij een beslissing op bezwaar had moeten nemen, had overschreden. De Raad zal de aangevallen uitspraak dan ook in zoverre vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad alsnog een proceskostenveroordeling uitspreken. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de proceskosten beperkt zijn gebleven tot de kosten van verleende rechtsbijstand in verband met het indienen van een beroepschrift en dat gedaagde het onrechtmatig uitblijven niet heeft betwist, zodat de wegingsfactor “zeer licht” (0,25) wordt toegepast.

4. Omtrent het inhoudelijke geschil overweegt de Raad als volgt.

4.1. Vast staat dat de dienstgroep BDGSK waartoe appellant behoort, ten tijde van belang niet als knelpuntcategorie was aangemerkt. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het feit dat deze dienstgroep in het verleden als zogenoemd uitfaserend onderdeel is aangemerkt, daarin geen verandering kan brengen. De Raad verwijst naar hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen.

4.2. Dit betekent dat appellants verzoek uitsluitend zou kunnen worden ingewilligd door gebruik te maken van het managementinstrument genoemd in 1.1. Bij de hantering van dit instrument komt de Staatssecretaris een ruime beleidsvrijheid toe, en is de toetsing door de rechter een terughoudende. De Staatssecretaris, die heeft meegedeeld slechts in uitzonderingsgevallen gebruik te maken van dit managementinstrument, heeft in dit geval geen aanleiding gezien het verzoek in te willigen, omdat appellant als begeleider bij de school voor NBCD en BV van de Koninklijke Marine passend werk verricht, waarmee het organisatiebelang gediend is. Appellant heeft naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk gemaakt dat zijn situatie zo bijzonder was dat de Staatssecretaris zijn verzoek niet had mogen afwijzen.

4.3. Ook de omstandigheid dat er in de dienstgroep van appellant militairen waren die bereid waren tot nadienen - appellant heeft twee collega’s met name genoemd - maakt naar het oordeel van de Raad niet dat de Staatssecretaris had moeten vaststellen dat zich een bijzondere situatie als hiervoor bedoeld voordeed. Vast staat immers dat die collega’s een andere functie vervulden dan appellant, zodat zij niet zonder meer in zijn plaats konden treden, maar daarvoor eerst zouden moeten worden opgeleid. Het organisatiebelang vroeg daar niet om.

4.4. Dat bij appellant een gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat zijn verzoek zou worden gehonoreerd acht de Raad niet aannemelijk geworden. Uit de stukken kan weliswaar worden afgeleid dat appellant door de medewerkers van de afdeling Personeelszaken op de hoogte is gehouden van de afhandeling van zijn verzoek en dat hij op grond van die berichtgeving goede hoop had op een positief besluit, doch van een toezegging door het bevoegd gezag kan niet worden gesproken. Appellant had zich dienen te realiseren dat degenen die hem op de hoogte hielden niet bevoegd waren uiteindelijk op zijn verzoek te beslissen.

4.5. De ter zitting van de Raad gemaakte vergelijking met een andere collega van appellant, wiens verzoek uiteindelijk wel is ingewilligd, laat de Raad voor wat zij is. Nu appellant deze stelling eerst in dit stadium van de procedure heeft opgeworpen moet worden vastgesteld dat van de Staatssecretaris geen adequate reactie meer kan worden verlangd.

5. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor het overige moet worden bevestigd. Gelet op hetgeen in 3.1. is overwogen veroordeelt de Raad de Staatssecretaris in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 80,50 en tot een bedrag van € 644,- + € 32,32 aan kosten van rechtsbijstand en reiskosten van appellant in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij geen proceskostenveroordeling is uitgesproken met betrekking tot het beroep ingesteld tegen het uitblijven van een tijdige beslissing op bezwaar;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 756,82, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 102,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.D. van Dissel-Singhal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.

HD

03.07