Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY4882

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2006
Datum publicatie
25-07-2006
Zaaknummer
04-5074 AW tot en met 04-5079 AW, 04-5330 AW tot en met 04-5335 AW en 05-6468 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering gemachtigde, beoordeling, bevordering, buitengewoon verlof, overplaatsing. Pkv: één beslissing op bezwaar met meer dan 4 deelbesluiten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5074 AW tot en met 04/5079 AW, 04/5330 AW tot en met 04/5335 AW en

05/6468 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland (hierna: Korpsbeheerder),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 augustus 2004, 01/4346, 01/4347, 01/4348, 02/1842, 02/3507 en 02/3508 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

betrokkene

en

de Korpsbeheerder

Datum uitspraak: 6 juli 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. W. de Klein, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond, hoger beroep ingesteld. Namens de Korpsbeheerder heeft mr. Th. Tanja, werkzaam bij de politieregio Amsterdam-Amstelland, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. De Klein, voornoemd, een verweerschrift ingediend. Namens de Korpsbeheerder heeft mr. Tanja, voornoemd, een verweerschrift ingediend.

Op 10 oktober 2005 heeft de Korpsbeheerder een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2006. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. De Klein, voornoemd. De Korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Burghout, juridisch adviseur te Monnickendam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene, in dienst van de politieregio Amsterdam-Amstelland, was werkzaam als professional (schaal 8) bij het wijkteam Lijnbaansgracht in het derde district en is per 1 januari 2000 aangesteld als buurtregisseur B bij hetzelfde wijkteam. Aan deze laatste functie is schaal 9 verbonden. Betrokkene is voor de duur van een jaar geplaatst in aanloopschaal 8, met een toelage naar schaal 9. In het besluit tot aanstelling is bepaald dat bij voldoende beoordeling over de periode 1 januari 2000 tot 1 januari 2001 een bevordering zal plaatsvinden naar schaal 9.

1.2. Over betrokkenes functioneren in de periode 1 januari 2000 tot 4 januari 2001 is een beoordeling opgemaakt. Op de aspecten bijdrage, tactvol optreden en kwantiteit is de score B (matig) toegekend. Nadat de beoordelaar, de wijkteamchef, van twee collega’s van betrokkene negatieve berichten over haar gedrag had ontvangen, is de beoordeling herzien. Het aspect tactvol optreden is gewijzigd van score B in A (onvoldoende) en het aspect inlevingsvermogen is gewijzigd van score C (voldoende ) in B. De wijkteamchef heeft vervolgens een huishoudelijk onderzoek ingesteld naar de houding en het gedrag van betrokkene. De beoordeling is ongewijzigd vastgesteld. Het huishoudelijk onderzoek is afgerond door een andere hoofdinspecteur. Na bezwaar is de beoordeling gehandhaafd bij het bestreden besluit van 6 maart 2002.

1.3. Bij besluit van 25 januari 2001 heeft de Korpsbeheerder geweigerd betrokkene als buurtregisseur B te bevorderen naar schaal 9, aangezien betrokkene niet beschikt over een voldoende beoordeling. Dit besluit is, na bezwaar, bij het bestreden besluit van 6 maart 2002 gehandhaafd.

1.4. Bij besluit van 26 januari 2001 heeft de Korpsbeheerder betrokkene buitengewoon verlof verleend tot het moment dat de Korpsleiding een beslissing heeft genomen over de al dan niet te nemen maatregelen op basis van het huishoudelijk onderzoek. Dit besluit is, na bezwaar, bij het bestreden besluit van 6 maart 2002 gehandhaafd.

1.5. Bij besluit van 14 juni 2001 heeft de Korpsbeheerder met ingang van 15 juni 2001 de aanstelling van betrokkene als buurtregisseur B beëindigd, onder gelijktijdige aanstelling in de functie van professional (schaal 8). Bij dit besluit heeft de Korpsbeheerder tevens bepaald dat betrokkene wordt overgeplaatst naar het vierde district. Na bezwaar is dit besluit gehandhaafd bij het bestreden besluit van 6 maart 2002.

1.6. Op 15 oktober 2001 is namens de Korpsleiding een brief gezonden aan de voorzitter van de Nederlandse Politie Bond waarin is gesteld dat de gemachtigde van betrokkene, gelet op zijn gedrag tijdens de hoorzitting, niet langer welkom is in de organisatie. Bij besluit van 19 september 2002 heeft de Korpsbeheerder geweigerd om een besluit op grond van artikel 2:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bekend te maken, omdat een dergelijk besluit nimmer is genomen en subsidiair de bezwaren van betrokkene niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen sprake is van een besluit of een daarmee gelijk gestelde handeling.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van 7 december 2001, gericht tegen de kennelijke weigering een beslissing op de bezwaren te nemen, alsmede het beroep tegen het besluit van 6 maart 2001 (lees: 6 maart 2002) gegrond verklaard. De rechtbank heeft bijkomende beslissingen gegeven omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht. Voorts heeft de rechtbank het beroep gericht tegen de kennelijke weigering van de Korpsbeheerder een beslissing op het bezwaar gericht tegen de brief van 15 oktober 2001 te nemen, niet-ontvankelijk verklaard. De Raad verstaat de aangevallen uitspraak aldus dat de rechtbank het besluit van 6 maart 2002 heeft vernietigd voorzover betrekking hebbend op de handhaving van de beoordeling, op de niet-bevordering en op de overplaatsing, voorzover deze overplaatsing ziet op het tewerkstellen in een andere functie, en heeft bepaald dat de Korpsbeheerder een nieuw besluit neemt op de bezwaren van betrokkene met inachtneming van het gestelde in de uitspraak.

3. De Raad stelt vast dat het geding in hoger beroep zich op de voet van artikel 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Awb mede uitstrekt tot het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nadere besluit van 10 oktober 2005. Met dit besluit is wijziging gebracht in het besluit van 6 maart 2002. Nu met dit besluit niet geheel aan het beroep van betrokkene tegemoet is gekomen, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 10 oktober 2005.

4. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht als volgt.

5. Weigering gemachtigde

5.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de kennelijke weigering een beslissing te nemen op het bezwaar gericht tegen de brief van 15 oktober 2001 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat ten tijde van de indiening van het beroep tegen die weigering, het besluit van 6 maart 2002 reeds was genomen en dat de gemachtigde van de betrokkene op geen enkel moment de feitelijke toegang is geweigerd. Gelet hierop heeft het door betrokkene gestelde belang bij toetsing van de inhoud van de brief van 15 oktober 2001 naar het oordeel van de rechtbank geen enkele praktische betekenis meer.

5.2. De gemachtigde van betrokkene heeft onder meer gesteld dat hij doordat hij niet welkom was in de organisatie van de Korpsbeheerder, monddood is gemaakt en dit in strijd is met de vrijheid van meningsuiting. Voorts heeft de gemachtigde van betrokkene gesteld dat hij door de handelwijze van de Korpsbeheerder in zijn eer en goede naam is aangetast. De Raad is evenwel van oordeel dat het hierbij gaat om belangen van de gemachtigde, die niet (tevens) als belangen van betrokkene zelf zijn aan te merken, zodat zij hier buiten beschouwing moeten blijven.

5.3. Met betrekking tot de stelling dat de behandeling van betrokkenes bezwaren vertraging heeft opgelopen doordat de bezwarenprocedures zijn aangehouden, overweegt de Raad dat niet aannemelijk is geworden dat betrokkene daarvan schade heeft ondervonden. Enige andere schade is door betrokkene niet gesteld, zodat de rechtbank ook op dit punt terecht geen procesbelang aanwezig heeft geoordeeld.

5.4. Gelet op het vorenoverwogene komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking voorzover het onderhavige beroep daarbij niet-ontvankelijk is verklaard. Aan de vraag of sprake is van een besluit komt de Raad dus niet meer toe.

6. De beoordeling

6.1. Met betrekking tot de toetsing van de inhoud van een beoordeling overweegt de Raad dat die volgens zijn vaste jurisprudentie (CRvB 5 november 1998, LJN ZB7954, TAR 1998, 191) is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. Daarbij geldt als uitgangspunt dat in geval van negatieve oordelen het betrokken bestuursorgaan aan de hand van concrete feiten in rechte aannemelijk moet maken dat die negatieve waardering niet op onvoldoende gronden berust.

6.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit voorzover daarbij de beoordeling is gehandhaafd gegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat ten aanzien van het aspect tactvol optreden en het aspect inlevingsvermogen het onderzoek naar de feiten die ten grondslag hebben gelegen aan de negatieve beoordeling onzorgvuldig is geweest. Met name twee omstandigheden hebben de rechtbank tot deze conclusie gebracht: de rol van de wijkteamchef bij het onderzoek en het in bezwaar voorbijgaan aan de positieve getuigenverklaringen.

6.3. Het aan de beoordeling ten grondslag liggende feitencomplex berust met name op het door de wijkteamchef gedane onderzoek. Dit onderzoek is door de wijkteamchef, tevens beoordelaar, opgestart naar aanleiding van een melding over het roddelgedrag van betrokkene over hem en zijn assistente. De wijkteamchef heeft een aantal collega’s van betrokkene gehoord. Deze collega’s hebben verklaard dat betrokkene roddelt, ook over de wijkteamchef, en dat betrokkene zich onfatsoenlijk en negatief gedraagt ten opzichte van collega’s. Uit de stukken is gebleken dat de wijkteamchef bewust geen collega’s heeft benaderd uit ‘het groepje rond betrokkene’, omdat het slechts ging om een bevestiging van de ongewenste houding en gedrag van betrokkene. Voorts zijn de in de bezwarenfase door betrokkene overgelegde getuigenverklaringen, die het gedrag van betrokkene op een meer positieve wijze duiden, niet (kenbaar) bij de heroverweging betrokken. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat aldus het onderzoek niet met de nodige waarborgen van zorgvuldigheid is omkleed.

6.4. Betrokkene heeft niet weersproken dat zij eerlijk en direct is, en dat dit soms bot kan overkomen. Ook uit de diverse verklaringen, waaronder de verklaringen die als onderbouwing van het nadere besluit hebben gediend, is naar voren gekomen dat betrokkene zich ten opzichte van collega’s wel eens schuldig maakt aan onbehouwen gedrag en ongenuanceerde uitlatingen en meedoet aan het roddelen over collega’s en leidinggevenden. Uit deze verklaringen is echter evenzeer gebleken dat betrokkene geen uitzondering is binnen de organisatie, waar geregeld over elkaar wordt gesproken. Dienaangaande merkt de Raad nog op dat niet is gebleken dat betrokkene de bron is van de roddels die mede betrekking hebben op de wijkteamchef. Evenmin is de Raad gebleken dat betrokkene zich daarbij - zoals in de beoordeling is gesteld - schuldig heeft gemaakt aan ‘vuilspuiterij’. De Raad concludeert uit het vorenstaande dat de score B voor inlevingsvermogen, om de reden dat betrokkene niet voldoende rekening houdt met gevoelens en positie van sommige collega’s, niet op onvoldoende gronden berust maar dat score A voor tactvol optreden niet op voldoende gronden berust. Hoewel betrokkenes interne optreden niet altijd tactvol was, is niet gebleken van zodanige tekortkomingen dat die score gerechtvaardigd zou kunnen zijn. Voorts is de Raad uit de beoordeling, noch uit de andere stukken kunnen blijken dat betrokkene tekort is geschoten in het tactvol optreden ten opzichte van het publiek. Gelet op het voorgaande dient dit ertoe te leiden dat de waardering voor het aspect tactvol optreden dient te worden gewijzigd van score A in B. Hieruit volgt dat de bestreden beoordeling in zoverre niet in stand kan worden gelaten. Voorts blijkt uit het nieuwe besluit op bezwaar dat tussen partijen niet langer in geschil is dat op het aspect kwantiteit een score C dient te worden toegekend. De Raad zal - met vernietiging van de aangevallen uitspraak en het nieuwe besluit op dit onderdeel - de beoordeling met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb aldus gewijzigd vaststellen.

7. De weigering betrokkene te bevorderen

7.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ten aanzien van de handhaving van de niet-bevordering gegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit op dit punt is gebaseerd op de negatieve beoordeling. Nu de beoordeling geen stand kan houden, kan het besluit betrokkene niet te bevorderen naar het oordeel van de rechtbank niet worden geacht voldoende te zijn gemotiveerd.

7.2. Bij de aanstelling tot buurtregisseur B is bepaald dat bevordering naar schaal 9 zal plaatsvinden indien er sprake is van een voldoende beoordeling over de periode 1 januari 2000 tot 1 januari 2001. Gelet op het onder 6.4. overwogene is de Raad van oordeel dat de weigering betrokkene naar schaal 9 te bevorderen niet geacht kan worden voldoende te zijn gemotiveerd. Dit leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak in zoverre voor bevestiging in aanmerking komt en dat het nieuwe besluit op bezwaar in zoverre dient te worden vernietigd. De Korpsbeheerder zal (nogmaals) een nieuwe beslissing moeten nemen op het bezwaar van betrokkene met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

7.3. Pas na het nemen van deze nieuwe beslissing kan komen vast te staan of betrokkene schade heeft geleden. Het verzoek van betrokkene om veroordeling van de Korpsbeheerder tot betaling van schadevergoeding moet daarom thans worden afgewezen. De Korpsbeheerder zal bij het nemen van een nieuw besluit moeten beoordelen of aanleiding bestaat betrokkene schadevergoeding toe te kennen.

8. Buitengewoon verlof

8.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ten aanzien van handhaving van het aan betrokkene verleende buitengewoon verlof ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op de aard en de ernst van de klachten over het gedrag van betrokkene, de Korpsbeheerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat er aanleiding bestond, totdat een en ander was onderzocht en afgehandeld, betrokkene buitengewoon verlof te verlenen.

8.2. De Raad onderschrijft de overwegingen en de daarop steunende conclusie van de rechtbank dat de Korpsbeheerder zich op grond van de hem destijds ter beschikking staande gegevens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verlening van buitengewoon verlof op grond van artikel 39 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) was aangewezen.

8.3. Waar betrokkene zich beroept op de lange duur van het buitengewoon verlof en het feit dat deze na verloop van tijd niet langer gerelateerd was aan de duur van het geboden onderzoek naar de gegrondheid van de tegen betrokkene ingebrachte beschuldigingen, stelt de Raad vast dat betrokkene de Korpsbeheerder weliswaar om opheffing van het buitengewoon verlof heeft verzocht, maar nimmer rechtsmiddelen heeft ingesteld tegen de weigering op dit verzoek te beslissen. Om die reden komt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op de duur van het verleende buitengewoon verlof niet kan slagen.

9. Overplaatsing

9.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit voorzover daarbij de overplaatsing naar het vierde district is gehandhaafd, ongegrond verklaard en voorzover daarbij de tewerkstelling van betrokkene in de andere, lager gewaardeerde functie van professional is gehandhaafd, gegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de arbeidsverhoudingen binnen het derde district ten tijde van de overplaatsing zodanig verstoord waren dat het dienstbelang vorderde dat betrokkene in een ander district tewerkgesteld zou worden. Omdat de plaatsing in een andere, lagere functie is gebaseerd op het onderzoek waarbij de feiten onvoldoende zorgvuldig zijn vastgesteld kan naar het oordeel van de rechtbank dit onderdeel van het besluit niet in stand blijven.

9.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de arbeidsverhoudingen binnen het derde district ten tijde van de overplaatsing op grond van artikel 64 van het Barp zodanig verstoord waren dat het dienstbelang vorderde dat betrokkene in een ander district tewerk gesteld zou worden.

9.3. Met betrekking tot de plaatsing in de andere, lager gewaardeerde functie van professional (schaal 8) heeft de Korpsbeheerder aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat betrokkene, gelet op de uitkomst van de beoordeling, niet geschikt was voor de functie van buurtregisseur B (schaal 9). Voor de Korpsbeheerder heeft zwaar gewogen dat van een ambtenaar van politie die op een schaal 9 functie wenst te functioneren, verwacht mag worden dat zij zich professioneel, correct en integer gedraagt ten opzichte van collega’s en teamleiding. De Korpsbeheerder had, gelet op de beoordeling, dit vertrouwen in betrokkene verloren.

9.4. Zoals hiervoor reeds is overwogen, kan de beoordeling echter geen stand houden en wordt de waardering van het aspect tactvol optreden gewijzigd van score A in B. Gelet hierop en op het feit dat de Korpsbeheerder ter zitting heeft verklaard dat betrokkene met een B voor tactvol optreden over een voldoende beoordeling beschikt, is de Raad van oordeel dat het besluit om betrokkene te plaatsen in de andere, lager gewaardeerde functie van professional niet op een draagkrachtige motivering berust.

9.5. Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak op dit onderdeel voor bevestiging in aanmerking en dient het nieuwe besluit op bezwaar ook in zoverre te worden vernietigd. De Korpsbeheerder zal nogmaals een nieuwe beslissing moeten nemen op het bezwaar van betrokkene met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

10. De proceskostenveroordeling in eerste aanleg

10.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de verschillende bezwaarschriften gegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank het beroep, voorzover dit tevens was gericht tegen het besluit van 6 maart 2002, gegrond verklaard. Tot slot heeft de rechtbank de Korpsbeheerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb veroordeeld in de kosten van de verleende rechtsbijstand en deze kosten begroot op € 644,- .

10.2. Naar aanleiding van hetgeen betrokkene hieromtrent heeft aangevoerd stelt de Raad vast dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken wat betreft het niet tijdig beslissen. Vast staat dat ten tijde van het instellen van dat beroep de termijn waarbinnen de Korpsbeheerder een beslissing op het gemaakte bezwaar had moeten geven was overschreden, zodat betrokkene terecht beroep heeft ingesteld. De Raad zal de aangevallen uitspraak dan ook vernietigen voorzover de rechtbank heeft nagelaten te beslissen op het verzoek van betrokkene om de Korpsbeheerder op dit punt te veroordelen in de proceskosten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad alsnog een proceskostenveroordeling uitspreken. De Raad stelt daarbij vast dat het beroepschrift, gelet op zijn inhoud, slechts gericht was op het verkrijgen van een besluit op bezwaar. Het gewicht van de zaak moet worden bepaald op zeer licht, als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), zodat 0,25 als wegingsfactor moet worden gehanteerd.

10.3. In aanmerking genomen dat het besluit van 6 maart 2002 meer dan 4 deelbesluiten betreft, is de Raad van oordeel dat de rechtbank aan de hand van de bijlage bij het Bbp bij de berekening van de proceskosten de factor voor het gewicht van de zaak had dienen vast te stellen op 1,5. De Raad zal de aangevallen uitspraak dan ook in zoverre vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad zelf de proceskostenveroordeling voor het geding in eerste aanleg vaststellen op € 1.046,50.

11. De proceskostenveroordeling in hoger beroep

11.1. In lijn met hetgeen onder 10.3. is overwogen zal de Raad ook voor de proceskostenveroordeling in het hoger beroep de wegingsfactor 1,5 hanteren en de Korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 van de Awb veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 1.610,-, bestaande uit kosten van verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover de rechtbank de beoordeling niet zelf heeft vastgesteld, alsmede wat betreft de proceskostenveroordeling;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart het beroep dat betrokkene geacht wordt mede te hebben gericht tegen het besluit van 10 oktober 2005 gegrond en vernietigt dat besluit;

Stelt de beoordeling vast met dien verstande dat de score voor tactvol optreden wordt bepaald op B en de score voor kwantiteit op C;

Bepaalt dat de Korpsbeheerder met betrekking tot de bevordering en de overplaatsing een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt de Korpsbeheerder in de proceskosten van betrokkene in eerste aanleg tot een bedrag van € 1.046,50 en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.610,- , te betalen door de politieregio Amsterdam-Amstelland;

Bepaalt dat de politieregio Amsterdam-Amstelland aan betrokkene het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 205,- vergoedt;

Bepaalt dat van de politieregio Amsterdam-Amstelland een griffierecht van € 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K. Zeilemaker en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

07.07

Q