Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY4869

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2006
Datum publicatie
24-07-2006
Zaaknummer
03-3422 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met het besluit is geheel aan de bezwaren van betrokkene tegemoet gekomen. Het bestreden besluit ziet op de intrekking van het recht op uitkering en niet op de uitbetaling ervan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/3422 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 juni 2003, 02/3418 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Karkache, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en, daaropvolgend, een vraag van de Raad beantwoord.

Namens appellant heeft mr. Karkache, voornoemd, de gronden van het hoger beroep aangevuld en een nader stuk ingediend.

Naar aanleiding van dit schrijven heeft het Uwv een besluit in het geding gebracht van 3 juni 2005, waarbij aan appellant is medegedeeld dat zijn WAO-uitkering ongewijzigd wordt voortgezet. Desgevraagd is hierop namens appellant gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2006. Namens appellant is verschenen mr. Karkache. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.C. Rijk.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Aan appellant is met ingang van 24 augustus 1999 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 6 juli 2001 heeft het Uwv appellants uitkering met ingang van 1 september 2001 ingetrokken. Bij besluit van 29 juli 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het besluit van 6 juli 2001 gehandhaafd.

De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Het Uwv heeft bij besluit van 3 juni 2005 appellants uitkering ingevolge de WAO per 1 september 2001 ongewijzigd voortgezet.

Desgevraagd is namens appellant meegedeeld dat hij geen reden ziet het hoger beroep in te trekken nu het Uwv de uitkering over de jaren 2001 tot juni 2003 (nog) niet heeft uitbetaald.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad stelt vast dat met het besluit van 3 juni 2005 het Uwv geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoet gekomen. De namens appellant gestelde gedeeltelijke niet-uitbetaling van de uitkering – wat daar ook van zij – kan hieraan niet afdoen, nu het bestreden besluit ziet op de intrekking van het recht op uitkering en niet op de uitbetaling ervan.

De Raad stelt verder vast dat namens appellant geen verzoek is ingediend om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade. De Raad concludeert dat appellant bij zijn hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank geen (proces)belang (meer) heeft, zodat dit beroep niet-ontvankelijk verklaard moet worden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 805,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal

€ 1.127,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.127,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 116,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2006.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) S. Sweep.

Gw