Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY4827

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2006
Datum publicatie
24-07-2006
Zaaknummer
05-4172 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen uitstel zitting. De afwijzing van de sollicitatie berust niet op deugdelijke motivering. Besluit en herstelbesluit worden (mede) vernietigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:56
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Beroepswet 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4172 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 mei 2005, 04/4056 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [naam politieregio] (hierna: Korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 6 juli 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.M. Terlingen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De Korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2006. Appellant is, zoals namens hem is bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Th.Tanja, werkzaam bij de politieregio [naam politieregio] (hierna: politieregio). Deze gemachtigde heeft ter zitting een afschrift overgelegd van een besluit dat op 31 mei 2006 door de Korpsbeheerder jegens appellant is genomen (hierna: herstelbesluit).

II. OVERWEGINGEN

1. De behandeling ter zitting

1.1. Namens appellant heeft zijn onder I genoemde gemachtigde bij brief van 31 mei 2006 aan de Raad laten weten dat appellant ten gevolge van zijn detentie niet in staat of in de gelegenheid was om ter zitting te verschijnen. De gemachtigde deelde mede dat hij zelf eveneens niet zou verschijnen. In een brief van 29 mei 2006 had de gemachtigde het verzoek gedaan in verband met appellants detentie de behandeling enige tijd aan te houden; daarbij had hij aangegeven dat hij van appellant begrepen had dat deze persoonlijk bij de behandeling aanwezig wilde zijn om diens zaak zelf te bepleiten.

1.2. De Raad heeft geen aanleiding gevonden het verzoek om uitstel te honoreren. Daartoe heeft hij overwogen dat appellant niet op grond van artikel 8:59 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is opgeroepen om in persoon of bij gemachtigde te verschijnen. Voorts is van belang geacht dat appellants gemachtigde blijkens zijn beide onder 1.1. vermelde brieven niet verhinderd was de zitting bij te wonen. Tot slot heeft meegewogen dat appellant in zijn beroepschrift een voldoende duidelijke grief tegen de aangevallen uitspraak heeft geformuleerd en dat er geen vragen bij de Raad bestonden (en bestaan) die eerst goed beantwoord kunnen worden nadat appellant in de gelegenheid is geweest op een zitting persoonlijk het woord te voeren.

2. De relevante feiten

2.1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.2. Appellant, sinds vele jaren werkzaam bij de politie, laatstelijk als lid van een nationaal rechercheteam, heeft op

10 februari 2004 gesolliciteerd naar de functie van specialist Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE). Op grond van een briefselectie is die sollicitatie afgewezen. Deze afwijzing is gehandhaafd bij besluit van 19 juli 2004 (hierna: bestreden besluit). De (gehandhaafde) afwijzing berust op het oordeel dat appellant in zijn sollicitatiebrief onvoldoende blijk heeft gegeven van oriëntatie op de functie en op de werkplek.

3. De rechtbank

3.1. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Na te hebben overwogen dat aan twijfel onderhevig is of het bestreden besluit op goede gronden berust, heeft de rechtbank geoordeeld dat het belang van het beroep is komen te vervallen door na de indiening van het beroepschrift gevolgde handelingen en gebeurtenissen. Gedoeld is op de omstandigheid, waarvan appellant ter zitting van de rechtbank mededeling heeft gedaan, dat hij inmiddels - op 3 november 2004 - opnieuw naar eenzelfde functie had gesolliciteerd en na een sollicitatiegesprek was afgewezen.

4. De standpunten van partijen

4.1. Appellant heeft aangevoerd dat uit zijn mededeling ter zitting bij de rechtbank niet kan worden afgeleid dat hij heeft bereikt wat hij wilde bereiken. Hij beoogde met het beroep juist de vaststelling door de rechter dat de beoordeling van de sollicitatie-commissie - op basis van de briefselectie - niet juist is geweest. In dat verband heeft hij aangevoerd dat hij er, gelet op de toepasselijke regelgeving, redelijkerwijs van kon uitgaan dat de in zijn sollicitatiebrief aangegeven onderdelen voldoende zouden zijn.

4.2. De Korpsbeheerder kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat appellant na de sollicitatie van 3 november 2004, in welk kader hij een sollicitatiegesprek heeft gehad, geen procesbelang meer had. Hij heeft verder aangegeven dat het door hem met betrek-king tot sollicitatie en selectie gehanteerde beleid is neergelegd in Dienstvoorschrift

nr. 3.00.5. (hierna: Dienstvoorschrift). Ter zitting is nog melding gemaakt van het herstel van een bevoegdheidsgebrek in de ondertekening van het bestreden besluit, in welk verband het onder I vermelde herstelbesluit is overgelegd.

5. Het oordeel van de Raad

5.1. Hij kan de rechtbank niet volgen. Het bestreden besluit strekte tot definitieve afwijzing van appellants sollicitatie en niet uitsluitend tot het niet toelaten tot een sollicitatiegesprek. De daarvoor gegeven motivering dat de sollicitatiebrief niet voldeed aan de daarvoor geldende criteria, acht appellant onhoudbaar. Appellant had daarmee een belang om tegen dat besluit in actie te komen. Dit procesbelang is niet komen te vervallen als gevolg een later besluit van de Korpsbeheerder, waarbij in een latere sollicitatie-procedure appellant wel is toegelaten tot een selectiegesprek, maar zijn sollicitatie niettemin is afgewezen en tegen welk besluit geen rechtsmiddel is aangewend. De aangevallen uitspraak moet daarom worden vernietigd.

5.2. De Raad zal zelf een inhoudelijk oordeel geven, nu de zaak naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft.

5.2.1. De sollicitatiebrief van appellant van 10 februari 2004 bevat, naast een uitvoerig curriculum vitae met - voor de sollicitatie relevante - gegevens over het carrièreverloop, duidelijke aanwijzingen dat appellant zich heeft georiënteerd op de door hem geambieerde functie. Zo heeft appellant vermeld dat hij informatie heeft ingewonnen bij twee met name genoemde vroegere collega’s die thans werkzaam zijn bij de CIE en dat die informatie hem mede heeft doen besluiten te solliciteren. Verder heeft hij onder meer aangegeven dat hij met voldoening op diverse recherchegebieden gewerkt heeft, dat hij mede daardoor weet dat het werk van de CIE op verschillende terreinen kan liggen en dat hij die variatie prettig vindt. Hij stelt ook dat hij weet dat dit zal inhouden dat de inzet niet aan werktijden gebonden is.

5.2.2. De Raad heeft moeten vaststellen dat nergens uit blijkt, en zeker niet uit het Dienstvoorschrift, dat een sollicitatiebrief meer moet bevatten dan elementen als onder 5.2.1. vermeld, om tot de conclusie te komen dat een sollicitatiebrief in voldoende mate blijk geeft van oriëntatie op de functie en op de werkplek. Voor de ter zitting namens de Korpsbeheerder ingenomen stelling dat aan het inwinnen van informatie bijvoorbeeld de eis gesteld kan worden dat dit moet hebben plaatsgevonden bij de chef van de eenheid, ziet de Raad geen enkel aanknopingspunt.

5.2.3. De in het bestreden besluit voor de afwijzing van de sollicitatie gegeven motivering is dus niet deugdelijk. Wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb moet dat besluit worden vernietigd. Dat lot treft ook het herstelbesluit. De Korpsbeheerder zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de Korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand, en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,- aan kosten van rechtsbijstand, totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit alsmede het herstelbesluit;

Bepaalt dat de Korpsbeheerder een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van appellant, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt de Korpsbeheerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 966,-, te betalen door de politieregio [naam politieregio];

Bepaalt dat de politieregio [naam politieregio] aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 343,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.D. van Dissel-Singhal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.

Q.